Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Eerste stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1880
14e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5270
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
155
223. In een cirkel van 5 cM. middellijn is eene koorde van 0,3
dM. getrokken; indien men nu uit de uiteinden van deze
koorde raaklijnen aan den cirkel trekt, vraagt men de lengte
van eene dezer raaklijnen te berekenen, gemeten van het
raakpunt tot het punt, waar zij elkaar snijden (§ 144).
224. Uit een punt, bulten een cirkel gelegen, zijn twee raaklijnen
getrokken, wier lengte, gemeten tot het raakpunt, het vijfvoud
is van den straal des cirkels. Hoe menigmaal is die straal
begrepen op de koorde, die de raakpunten vereenigt? (§144).
225. Uit een punt van den omtrek eens cirkels zijn twee koorden
getrokken, die 5 en 4 M. lang zijn; indien nu de kleinste
koorde den boog middendoor deelt, door de grootste onder-
spannen, vraagt men den straal des cirkels te berekenen (§ 146).
226. Uit een punt van den omtrek eens cirkels zijn twee koorden
getrokken, waarvan de kleinste het | van den grootsten is;
terwijl tevens de kleinste den boog middendoor deelt, welken
de grootste onderspant. Hoe dikwijls is de grootste koorde
op den straal des cirkels begrepen? (§ 146).
227. Indien men de zijde van een vierkant als eenheid aanneemt,
boe groot is dan de straal des omgeschreven cirkels? (§ 147).
228. Wanneer men de hoekpunten eens regelmatigen zeshoeks, er
telkens één overslaande, met het middelpunt vereenigt, wordt
de zeshoek in drie gelijke en gelijkvormige ruiten verdeeld:
men vraagt dit te bewijzen (§ 148).
229. Het groot moet de straal eens cirkels genomen worden, opdat
de zijde des ingeschreven regelmatigen tienhoeks 1 M. lang
zij? (§ 149).
230. Op eene gegeven lijn als zijde een regelmatigen ticnhoek te
beschrijven (§ 149). '
231. Den straal des cirkels als eenheid aannemende, vraagt men
de zijden te berekenen van den ingeschreven regelmatigen
drie-, vijf- en twaalfhoek (§ 150).
232. Eene formule te vinden, waardoor men de zijden van alle
regelmatige twaalfhoeken berekenen kan, wanneer de straal
huns ingeschreven cirkels bekend is (§ 150).
233. Wanneer men een rechthoekigen driehoek maakt, waarvan de
rechthoekszijden gelijk zijn aan den straal eens cirkels en de
zijde van den in dezen beschreven regelmatigen ticnhoek,
dan is de hypotenusa gelijk aan de zijde van den ingeschreven