Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Eerste stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1880
14e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5270
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
153
construeeren, die deze eenheid J/S, 1/5, J/6, |/7 enz.
maal bevatten (N". 202).
204. Eene lijn gegeven zijnde, welke zekere eenheid |/ 3 maal
bevat, vraagt men die eenheid te construeeren (N°. 203).
205. Van twee koorden, die elkaar binnen den cirkel snijden,
zijn de stukken der eene 3 cn 5 M. lang, terwijl die der
andere zich verhouden als de getallen 2 en 7: men vraagt
naar de deelen der laatste (§ 135).
206*. In een cirkel van 2 M. middellijn is eene koorde van 3 dM.
getrokken, deze koorde is 3 M. verlengd: hoe ver is het
uiteinde van dit verlengde van het middelpunt des cirkels
verwijderd? (§ 135).
207. Door twee gegeven punten A en B heeft men eenige cirkels
gebracht; uit een punt C, gelegen in 't verlengde der lijn die
de punten A en B vereenigt, zijn raaklijnen aan die cirkels
getrokken: men vraagt te bewijzen, dat de raakpunten alle
op den omtrek eens cirkels liggen, die het punt C tot
middelpunt heeft (§ 135).
208*. Uit een punt A, dat 3 dM. verwijderd is van het middelpunt
eens cirkels, wiens straal 1 dM. bedraagt, heeft men eene
snijlijn door den cirkel getrokken: indien nu de koorde,
door den cirkel van deze snijlijn afgesneden, 5 cM. lang is,
vraagt men hoe ver het punt A van de uiteinden der koorde
verwijderd is (§ 135).
209. Hoe groot moet de straal eens cirkels genomen worden,
opdat van zekeren boog de koorde 3, en de pijl 2 dM. lang
zij? (§ 135).
210. Uit een punt A, buiten een cirkel gelegen, zijn twee snij-
lijnen getrokken, die, gemeten van het punt A tot de verst
verwijderde snijpunten, 7 en 9 dM. lang zijn. Indien nu de
koorde, door den cirkel van de eerste snijlijn afgesneden,
3 dM. lang is: hoe groot is dan die, welke de cirkel van
de andere snijlijn afsnijdt? (§ 135).
211*. Op de middellijn eens cirkels, waarvan de straal =r is,
heeft men een gelijkbeenigen driehoek beschreven, welks op-
staande zijden =b zijn. Hoe lang is nu de koorde, die
van elk been wordt afgesneden, indien de top des driehoeks
buiten den cirkel ligt; of die, waarvan elk been een deel
is, indien de bedoelde top binnen den eirkel ligt? 135).