Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Eerste stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1880
14e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5270
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
! N li O U i). IX.
§ 56. Stelling. In een gelijkbeenigcn driehoek zijn de
hoeken aan de basis onderling gelijk.....Bladz. 30.
Gevolgen. 1®. De tophoek eens gelijkbeenigen drie-
hoeks is het supplement van het dubbel van een der
hoeken aan de basis; elk der hoeken aan de basis
is het complement van den halven tophoek. . . — 30.
Wanneer de tophoek eens gelijkbeenigen driehoeks
recht is, bevatten de hoeken aan de basis ieder 45®. — 30.
3". Al dc hoeken eens gelijkzijdigen driehoeks zijn even
groot; zij bevatten ieder 60®.......— 30.
§ 57. Stelling. Wanneer twee zijden van een driehoek
ongelijk zijn, staat over de grootste dezer zijden
een grootere hoek dan over de kleinste, en omge-
keerd, wanneer twee hoeken eens driehoeke ongelijk
ziju, staat over den grootsten dezer hoeken eene
grootere zijde dan over den kleinsten.....— 31.
Gevolgen. 1°. Wanneer twee hoeken eens driehoeks
onderling gelijk ziju, zullen de overstaande zijden
bet ook wezen: de driehoek is dan gelijkbeenig . — 31,
2". Wanneer de drie hoeken eens driehoeks onderling
gelijk zijn, is de driehoek gelijkzijdig.....— 31.
3°. In een recht- of stomphoekigen driehoek is de zijde
over den rechten of stompen hoek altijd grooter dan
elk der overige zijden..........— 31.
Over de gelijk* en gelijkvoriniglieid der driehoeken,
§ 58 — § 66. — 32.
5 58. Bepaling. Twee figuren gelijk m gelijkvormig ^
wanneer men ze zóó plaatsen kan, dat zij elkaar
volkomen bedekken...........— 32.
§ 59. Stelling. Twee driehoeken zijn gelijk en gelijk-
vormig, wanneer eene zijde en de twee aanliggende
hoeken des eenen gelijk zijn aan eene zijde en de
twee aanliggende hoeken des anderen.....— 32.
§ 60. Stelling. Twee driehoeken zijn gelijk en gelijk-
vormig, wanneer twee zijden en de ingesloten boek
des eenen gelijk zijn aan twee zijden en den inge-
sloten hoek des anderen.........— 32.
§ 61. Stelling. Twee driehoeken zijn gelijk en gelijk-
vormig, wanneer de zijden des eenen gelijk ziju
aan die van den anderen.........— 32.
§ 62. Stelling. Twee driehoeken zijn gelijk en gelijk-
vormig, wanneer twee hoeken des eenen gelijk zijn
aan twee hoeken des anderen, en tcveus dc zijden