Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Eerste stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1880
14e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5270
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
140
70. ïe bewijzen, dat twee trapeziums gelijk en gelijkvormig zijn,
wanneer de zijden van het eene even groot zijn en in dezelfde
orde voorkomen, als die van het andere.
71. Te onderzoeken of twee willekeurige veelhoeken al dan niet
gelijk en gelijkvormig zijn, wanneer de zijden des eenen even
groot zijn en in dezelfde orde voorkomen, als die van den
anderen; terwijl bovendien de gelijkheid gegeven is van één
paar tussehen gelijke zijden begrepen hoeken.
72. Te onderzoeken of twee parallelogrammen al dan niet gelijk
en gelijkvormig zijn, wanneer de diagonalen en de hoogte
van het eene gelijk zijn aan die van het andere.
73. Te bewijzen, dat twee parallelogrammen gelijk en gelijkvormig
zijn, wanneer de basis en de hoogte alsmede een diagonaal
van het eeue, gelijk zijn aan die van het andere.
Herhaling.
§ 1 - § 77.
74. £en gelijkbeenigen driehoek te beschrijven, wanneer gegeven
zijn: a. de basis en de hoogte;
b. de basis en de tophoek;
c. de basis en de loodlijn; uit een harer uiteinden op
de overstaande zijde neêrgelaten.
75. Een driehoek te beschrijven, wanneer gegeven zijn eene zijde
met een der aanliggende hoeken, benevens de som of het
verschil der beide andere zijden.
76. Een driehoek te beschrijven, wanneer gegeven zijn eene zijde
met een der aanliggende hoeken, benevens het verschil der
beide andere hoeken.
77. Te bewijzen, dat de som der loodlijnen, uit eenig punt van
de basis eens gelijkbeenigen driehoeks op de opstaande zijden
neergelaten, gelijk is aan de loodlijn, die uit een der uiteinden
van de basis op de overstaande zijde valt.
78. Een driehoek te beschrijven, wanneer gegeven zijn de basis
met een der aanliggende hoeken en de hoogte.
79. Een trapezium te construeeren, wanneer zijne evenwijdige zijden
en diagonalen gegeven zijn.
80. Wanneer men uil het midden van iedere opstaande zijde eens