Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Eerste stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1880
14e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5270
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
VI. ï N n O L
§ 35. Stelling. Wanneer Iwec gelijke lioekcn een zelfde
hoekpunt en een gemeenschappelijk been hebben,
ligt ieder punt van dit been op gelijke afstanden
van twee punten, welke zich in de andere beenen
even ver van het hoekpunt verwijderen. Ieder punt
buiten het gemeenschappelijk been daarentegen ligt
op ongelijke afstanden van de bedoelde punten .Bladz. 17.
Gevolg. Alléén de punten eener lijn, die een hoek
middendoor deelt, zijn even ver verwijderd van twee
punten, welke in de beenen van dien hoek op
gelijke afstanden van liet hoekpunt liggen ... — 18.
§ 36. Werkstuk. Een gegeven hoek middendoor te deelen. — 18.
§ 37. Werkstuk. Uit een gegeven punt, gelegen in eene
gegeven lijn, eene lijn te trekken, makende met
de gegeven lijn een gegeven hoek......— 18.
§ 38. Bepaling. Het negentigste-deel van een rechten hoek
wordt een ^n/öi/genoemd; het zestigste-deel hiervan
eene minuut^ en het zestigste-deel hiervan, eene
seconde. De onderdeden van seconden worden in
tiendeelige breuken van seconden uitgedrukt. . . — 19.
Over de evenwijdige lijnen, § 39 — § 50.....— 19.
§ 39. Bepaling. Lijnen, die in een zelfde vlak gelegen,
hoe ver ook verlengd, elkaar nimmer ontmoeten,
noemt men evenwijdige lijnen........— 19.
§ dO. Hulpstelling. Wanneer men, na in een onbegrensd
plat vlak twee oneindig voortloopende evenwijdige
lijnen getrokken te hebben, de strook tusschen die
lijnen begrepen wegdenkt, zal hetgeen er overblijft
nog altijd vier rechte hoeken bevatten.....— 20.
Gevolg. De strook, tusschen twee evenwijdige lijnen
begrepen, moet beschouwd worden als een hoek
van O"...............— 20.
§ 41. Stelling. Dc hoeken, waaronder twee evenwijdige
lijnen door eene derde gesneden worden, zijn on-
derling gelijk.............— 20.
Gevolg. Eenige evenwijdige lijnen kunnen altijd
aangemerkt worden, als loodrecht op eene zelfde
lijn te staan.............— 21.
§ 42. Stelling. Twee evenwijdige lijnen hebben over hare
gansche uitgestrektheid denzelfden afstand van elkaar. — 21.
§ 43. Bepaling. Door den af&tand van twee evenAvijdigc
lijsen verstaat men de lengte der loodlijn, uit eenig
punt van dc ccne op dc andere lijn ncêrgelatcn. . — 22,