Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Eerste stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1880
14e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5270
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
lOG
Door g en r beurtelings op te lossen, leert men eveneens g be-
rekenen, wanneer r en l gegeven zijn, of r, wanneer g en l
bekend zijn,
Opmerking. Wij hebben eene in decimale benaderde waarde
voor het getal tc opgegeven; niet zelden bezigt men hiervoor ook
de benaderde waarden:
22 , 355
x= —, of !r =-;
7 113'
waarvan de eerste, de verhouding van Aechimedes genoemd, het
getal TT tot in twee decimalen nauwkeurig doet kennen, terwijl
de tweede, de verhouding van Metius genoemd, dat getal tot in
zes decimalen nauwkeurig bevat. De laatste wordt gemakkelijk
onthouden door op te merken, dat de getallen 113 en 355 ont-
staan, wanneer men de drie kleinste oneven getallen, elk tweemaal,
in hunne natuurlijke volgorde neerschrijft.
Over de liilioiideii der veelhoeken en cirkels.
§ 155. Bepaling. Door den inhoud eener vlakke figuur verstaat
men de grootte harer vlakte-uitgebreidheid.
Gevolg. Twee figuren kunnen zeer verschillende gedaanten en
nogtans denzelfden inhoud hebben.
§ 156. Bepaling. Figuren, die in den zoo even verklaarden
toestand verkeeren, noemt men onderling gelijk.
§ 157. Werkstuk. De grootste gemeene maat te vinden van twee
rechthoeken Ab en Cd (Fig. 131), rfie gelijke basissen Aa = Cc hebben',
Fip 134. Constructie. Dit geschiedt op dezelfde
wijze en geeft aanleiding tot dezelfde op-
merkingen als het werkstuk in § 77 be-
handeld; mits men gebruik make van de
eigenschap, dat rechthoeken, die gelijke
basissen en gelijke hoogten hebben, gelijk
en gelijkvormig zijn. Tot het uitzetten
b. v. van den kleinsten reciithoek C d op
den grootste Ab, bezigt men de hoogte
Cd, welke zoo dikwijls als dit kan op de hoogte AB, van A
naar E, van E naar F, enz. wordt overgebracht. Vervolgens trekt
men uit de verkregen deelpunten E, F, G, de lijnen Ee, Ff en
Gg evenwijdig aan Aa. De rechthoeken Ac, Ef en Fg zijn dan