Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Eerste stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1880
14e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5270
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
1 N l! O U 1).
beide in het eenige punt eindigen, dat ze onder-
ling gemeen hebben...........Bladz. 6.
Over <leii hoek, den loodrechten en sehninen stand
der lijnen, en eenige hierbij oniHis»harc eigen-
schappen van den eirkel, § 17 — § 39. ... — G,
§ 17. Bepalingen 1"*. Een onbegrensd plat vlak is zulk
een, waarop eene oneindig voortloopende rechte lijn
in alle richtingen past..........— G,
2". Een hoek is de gedeeltelijk onbegrensde vlakte-uit-
gebreidheid, begrepen tusschen twee rechte lijnen,
die in een punt samenkomen en daar eindigen. Deze
lijnen noemt men d^abeenen van den hoek; het punt,
waar zij samenkomen, het hoekpunt......— 7.
3". Een hoek wordt aangeduid door het opnoemen van
drie letters; soms door slechts ééne.....— 7.
De grootte van een hoek hangt alleen af van de
wijdte der opening, tusschen zijne beencn begrepen. — 7.
Gevolgen. Twee hoeken zijn eye;?^roo^, wanneer
het mogelijk is ze zóó te plaatsen, dat zij elkaur
volkomen bedekken...........— 7.
2°. Men kan hoeken bij elkaar optellen, en van elkaar
aftrekken..............— 7.
§ 18, Bepalingen. 1°. Wanneer eene lijn met eene andere
aan weerskanten gelijke hoeken maakt, noemt men die
hoeken recht. De eene lijn staat dan loodrecht op de
andere, en wordt eene loodlijn op deze genoemd . — 8.
2". Eene lijn staat schuin op eene andere, wanneer zij
met deze ongelijke hoeken vormt ...... — 8.
§ 19. Stelling. Alle rechte hoeken zijn even groot. . — 8.
Gevolg. Uit een punt in eene lijn kan slechts eene
loodlijn op die lijn worden opgericht.....— 9.
§ 20. Bepalingen. P. Een hoek wordt scherp of stomp
genoemd, naar gelang hij kleiner of grooter dan
een rechte hoek is...........— 9.
2®. Een hoek wordt uitspringend ^{inspringend ,
naar gelang hij kleiner of gvootcr is dan de som
van twee rechte...........— 9.
Twee hoeken worden eikaars supplementen genoemd,
wanneer zij te zamen gelijk zijn aan twee rechte. — 9.
4®. Eikaars complementen, wanneer zij te zamen gelijk
zijn aan één rechte hoek.........— 9.
Gevolg. Ziju de supplementen of dc complementen
van twee hoeken onderling gelijk, dan zijn ook die
hoeken onderling gelijk, en omgekeerd .... — 9.