Boekgegevens
Titel: De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Deel: 2e stukje
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Tilburg: R.K. Jongens-weeshuis
Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1897 *
8e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202791
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
2. Schrijf op :
10 ivoorden met an: aar, gaan.
10 woorden met eene korte a,: ral, val.
10 met eene lange « ja , kamer.
10 met MM ; schuur, zuur.
10 met eene korte m ; dun, put.
10 met eene lange u : schaduw, nu.
3- a,€L en uu komen nooit op bet einde
van een woord of lettergreep: ee e n oo
wei eens. Zoo schrijft men : hee-ren, hoo-ren ; maar ook:
pe-ren, bo-ren.
De volgende ivorden alle met ce of oo geschreven,
Vul ze hl:
De zonde vr—zen.
Ouders —ren.
Vlijtig 1—ren.
Om hulp sm—ken.
Den arme kl—den.
Het kruist—ken maken.
Yastelijk gel—^ven.
De preek aanh—ren.
De deugd bel—nen.
Van smart w—nen.
Iemands goed r—ven.
Eerlijk h—ten.
Twisten en krak—len.
Met water d—pen.
Naar huis k—ren.
Eene pijp r—ken.
T—der beminnen.
Den geh—len dag.
Zitten dr—men.
Zijne t—nen st—ten,
Th— k—pen.
Van angst zw—ten.
Geld n—dig hebben.
Geld 1—nen.
Een vr—lijk liedje.
De wasch bl—ken.
Tw--gen.
Tw--ren.
Naar z— str—men.
Een 1—lijk dier.
Een bed van str—.
Op een draf 1—pen.