Boekgegevens
Titel: De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Deel: 2e stukje
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Tilburg: R.K. Jongens-weeshuis
Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1897 *
8e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202791
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
55
Een — kwam juist daar langs gegaan.
— zag dat droevig schouwspel aan.
— grijpt hem bij zijn haren.
— trekt hem uit de baren.
— druipt gelijk een watermuis.
Van koude bibberend komt — thuis.
Voortaan zal — eerst vragen ,
Of 't ijs hem wel kan dragen.
104r. Vertel gij mi heizelfde nog eens, maar
nonder dat het rijwt. {Door verandering van woor-
den , omzetting van zinnen , of' anderszins.)
Voorbeeld : De gracht vroor verleden nacht dicht.
Het ijs was dun. Maar Gustje dacht: «Lijden zal
het toch w^el. Ha , ha , ik ga glijden." Hij loopt er
op en stampt en springt. Ki ak , krak ! het ijs breekt
en Gust zakt er door.
lOö. Doe vragen, waarop de volgende antwoor-
den passen. Onderstreep onderwerp en gezegde als
hoven.
Voorbeeld. Wat is een diamant ?
Ken diamant is een edelgesteente.
Erwten en boonen zijn peulvruchten.
Een schrift moet net en leesbaar zijn.
Uwe kleeren mogen niet onzindelijk zijn.
De verver stopt, verft en vernist.
De rozen zijn wit, geel of rood.
Eene Üesch kan niet bederven of verslijten.
Zij kan wel scheuren of breken.
De schepen zeilen.