Boekgegevens
Titel: De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Deel: 2e stukje
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Tilburg: R.K. Jongens-weeshuis
Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1897 *
8e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202791
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
Wat dit laatste beteekent, kunt gij uit het volgende
voorbeeld zien.
Het muisje was gevangen.
De muis kwam bij de val.
De val sloeg dicht. Zij beet.
Zij zag er spek in hangen.
Die zinnen staan niet op orde. Want, wat staat er
in den eersten zin? En wat in den tweeden? Volgt
dat goed op elkander: eerst gevangen zijn, en dan bij de
val komen P Die twee zinnen volgen dus niet goed, en
de overige ook niet; zie ze maar eens na.
Het geheel is dus geen opstel; het zijn losse zinnen,
die heelemaal in de war staan en iemand in de war
maken. Wij zullen ze op orde zetten.
De muis kwam bij de val.
Zij zag er spek in hangen.
Zij beet. De val sloeg dicht.
Het muisje was gevangen.
Schrijf nu de volgende zinnen ook eens op orde, zóó
dat er een mooi opstelletje uit komt.
Raadseltje.
Ten laatste wordt het rood als bloed.
Dan wordt het groen als gras.
Als men 't zoo eet, dan smaakt het goed.
Eerst is het wit als sneeuw.
De Lijster.
Een lijster zat eens vroolijk te fluiten,.in het bosch.
Daar raakte zij in vast.
Toen zag zij tusschen struiken een rooden bessentros.
Maar och ! er lagen strikken.
Had zij maar opgepast !
Zij ging eens even pikken.