Boekgegevens
Titel: De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Deel: 2e stukje
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Tilburg: R.K. Jongens-weeshuis
Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1897 *
8e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202791
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
Het kan gebenren , dat het onderwerp niet past
hij *t gezegde; zie maar : De ezel vliegt.
ISn moet er het woordje nïot bij , dan is 'tgoed.
De ezel vliegt Tiiet.
Nog een voorbeeld : De tang is een muntstuk.
Hier past het gezegde niet bij het onderwerp. Maar ge-
bruik ik het woordje geeo , dan is 't ook weer goed.
De tang is geen muntstuk.
Zulke zinnen met niet en geen heeten ontlcen-
nencle zinnen.
Maak nu ontkennende zinnen met de volgende
onderwerpen. Trek één streepje onder H onderwerp
en twee onder 't gezegde.
Hoe ase niet?
Sneeuw, riet, suiker, azijn, centen, veeren, rozen^
kersen.
VooRDEELD: Sneeuw is niet warm.
Wat zy" z« niet?
De gulden, de eik , de hoed , de kabeljauw^, goud
wijn , brood.
Voorbeeld: De gulden is geen speelgoed.
"Wat doen «e niet*?
De tuinier, de bakker, de luiaard, de vos, een
steen , een schip , een wagen.
Voorbeeld : De tuinier naait niet.
Ik kan van twee versehillende personen of
dingen hetzelfde vertellen; zie maar:
De kerk is een gebouw. De school is een gebouw.
Hier staat tweemaal hetzelfde, behalve Jat er eerst
IferU en dan scUool staat. Ik zeg nu in eens :
De kerk en de school zijn gebouwen.