Boekgegevens
Titel: De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Deel: 2e stukje
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Tilburg: R.K. Jongens-weeshuis
Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1897 *
8e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202791
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
Jan wordt koperslager. Slaat de klok ? Mietje breit.
Brandt de kachel ? Is het viooltje blauw ? Hij gaat
heen. Gaat gij mee ? Is de wolf vraatzuchtig ? De
tijger is bloeddorstig. Kan een snoek bijten ? Kan
een vogel pikken ? De reiziger is vermoeid. Vader is
ziek. Komt de dokter? De pauw is schoon. Kan
hij pronken ? Is hij trotsch ? De haan is wakker.
De torenhaan is verguld. Kan hij draaien ?
Maak de niet-vmgende zinnen uit het voor-
gaande nummer vragend en doe omgekeerd met de
vragende.
Een vraagteeken achter de vragende zhinen, een
punt achter de andere; ééne streep onder 't onder-
werp en twee onder 't gezegde.
Voorbeeld: \Vordt Jan koperslager? De klok slaat.
T'O. Vertel eens iets
van :
Het rad, de rat, het hart, het hert, de peer, de
beer, het pad, de pad, het scliip, de kerk, de rivier,
het kanaal, de citroen, de sinaasappel, de kers, de
arend , de musch , de rups.
Voorbeeld : Het rad is rond.
«sO. Vraag eens iets over:
De geit, de os, het eekhoorntje, de druif, het
bosch, de weide, de radijs, de spons, de vijver, het
goudvischje, de sprinkhaan, de framboos, de duif,
het varken, de regen, de wind.
Voorbeeld : Graast de geit ?