Boekgegevens
Titel: De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Deel: 2e stukje
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Tilburg: R.K. Jongens-weeshuis
Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1897 *
8e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202791
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
Tl- 1. De smid is een werkman.
2. De smid is werkzaam.
3. De smid werkt.
In zin 1 wordt gezegd, wat hij is,
In zin 2 wordt gezegd, lioe hij is.
In zin 3 wordt gezegd, "wat hij doet.
flet gezegde kan dus van personen of dingen zeggen
wat ze zijn, hoe ze zijn, wat ze doen.
Voeg mi hij de volgende onderwerpen een gezegde
wat ze zijn.
Voorbeeld : De vos is een dier.
De vos
De cent
De jas
De den
De bij
De pruim
De aster
De baars
Het gras
De raaf
De adder
Het bier
De sabel
De kerk
De tafel
De kaatsbal
De wal visch
Het paleis
De hamer
Het goud
Voeg nu hij de onderwerpen uit het voor-
gaande nummer een gezegde: iioe ze zij"-
Voorbeeld : De vos is rood.
Tfï- In de volgende zinnen moet het gezegde uit-
drukken wat ze tlocn.
Schrijf er 5 op over verschillende amhachtslieden..
Voorbeeld : De smid hamert.
'10 over verschillende dieren.
Voorbeeld : De vogel vliegt.
'10 over verschillende andere dingen.
Voorbeeld : De zon schijnt.
Het onderwerp kan meervoudijy zijn: ik
kan spreken over meer dan ééne bloem, of plant, of dier,
of mensch. Maar: