Boekgegevens
Titel: De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Deel: 2e stukje
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Tilburg: R.K. Jongens-weeshuis
Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1897 *
8e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202791
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
Uier staat alleen het onderwerp; gij moet er weer
ieen zin van maken. Er moet dus een .... hij.
De haan —
Het hondje
Het paard -
De wöir —.
De Loer —.
De jager —.
De visscher
De voerman
De rook —.
Het vuur —
De roos
De rups
De mol -
De muis
De klok
De regen
De musch —.
De kever —.
TO. Hier is nu eens het onderwerp, dan weer het
gezegde uitgelaten; vul het in, maar zóó, dat het rijmt,
■en onderstreep ^t onderwerp eenmaal en U gezegde
tweemaal.
— is sluw.
De zwaluw
— is hard.
Het roet —
—■ is koud.
De pekel —
— is rond.
De vlinder -
— is lieet.
De stroom -
— is blank.
Het paard —
— is rood.
— bloeit.
Het water —.
— snort.
Het varken —
— stroomt.
De kerkuil —
— valt.
't Geweerschot
— naait.
De landman —
— zingt.
De kikker —.
— krast.
De wachthond
— speelt.
Het muschje -
De reus —.
— is klein.
De zijde —.
Keer nu de zinneii uit het eerste rijtje om, en onder-
streep 't onderwerp eenmaal en H gezegde tweemaal,
VoouiïEELu: Sluw is de slang.