Boekgegevens
Titel: De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Deel: 2e stukje
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Tilburg: R.K. Jongens-weeshuis
Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1897 *
8e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202791
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
38
hout. Een kind mag niet liegen. Liegen staat leelijk.
De koning is machtig. God is almachtig. De jongens
gaan tollen. De tollen draaien. Schoon is de morgen-
ster. Liefelijk is de dageraad. De timmerlieden zagen.
Scherp zijn de zagen. Koud is het ijs. Kil is het
water.
ÖH. Schrijf de volgende uiidrukkingen in twee
rijtjes af; in het eerste die •M.inwn zijn, in het tweede
rijtje die geen zinnen zijn. Onderstreep hij de zin-
nen het onderwerp eenmaal en H gezegde tweemaal.
De vleermuis lladdert. De pen krast.
De luiaard gaapt. De bloem riekt.
Nooit zijn werk af. De hamer van den smid.
De klok slaat. Gij zijt vlijtig.
Het zand is droog. Moede ben ik.
Het droge zand. Ik ga rusten.
De aarde draait. Brave menschen.
Vlijtige leerlingen. Gij en uw broer.
In den winter. Deugd verheugt.
De inkt vloeit. Vet besmet.
Het water bevriest. Olie brandt.
*
De haan op den toren. Water bluscht.
ei>. Hier staat alleen het gezegde; gij moet er
een zin van maken. Er moet difs overal een...hij.
— piept. — klettert. — druipt.
— dorscht. — stuift. — huppelt.
— hamert. — hinnikt. — knort.
— flikkert. — steelt. — drijft.
— gonst. — hoepelt. — blaft.
— loeit. — schiet. — brult.