Boekgegevens
Titel: De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Deel: 2e stukje
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Tilburg: R.K. Jongens-weeshuis
Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1897 *
8e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202791
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
Schrijf de volgende uitdrukkingen over in twee
rijen; in de eerste rij die zünnen , en in de tweede
rij die geen zinnen zijn.
Jan slaapt. God is goed. Arm maar braaf.
De vink. De regen valt. De boomen in den hof.
Op het dak. Rijpe kersen. De boomen bloeien.
Kalk is wit. De koe loeit. Eene pad kruipt.
Is hier. Ons kippenhok. Eene diepe rivier.
IJs is koud. De bal rolt. De rivier is diep.
In de kast. De zon schijnt. Gloeiende kolen.
De roos riekt. Een vette os. De kachel is gloeiend.
Ik heb dus pas een zin, als ik van een persoon
of ding iets zeg. Die persoon of dat ding heetoutler-
werp; en wat ik er van zeg, heet gjease^jde-
Maar let wel op : De persoon of de zaak , waarvan ik
spreek (het onderwerp), behoeft niet altijd voorop te
staan. Ik kan zeggen :
l>e roos is rood.
Maar ook : Eood is de x-oos.
In beide gevallen spreek ik van de roos , in beide
zinnen is dus de roos onderwerp.
Schrijf de volgende zinnen over en trek ééne streep
onder het onderwerp en twee onder het gezegde.
VOORBEELD: Willem schrijft.
Willem schrijft. Marie leest. Leentje gaat wan-
delen. Karei is aan 't rekenen. Johan is ziek. Hij
is te bed. De dokter moet komen. Een kind moet
gehoorzaam zijn. De ziel is onsterfelijk. Het lichaam
moet sterven. De wind huilt. De golven klotsen.
De schepen zeilen. De visschers visschen. De vis-
schen zwemmen. De vogels fluiten. Fluiten zijn van