Boekgegevens
Titel: De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Deel: 2e stukje
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Tilburg: R.K. Jongens-weeshuis
Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1897 *
8e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202791
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
TY/EEDK AFDEELma
Ontleding en Samenstelling.
Als ik iets wil zeggen of vertellen, moet ik
twee dinRPn weten, vóór ik be^in , namelijk:
1° Waarover ili »prelseii zal : over mijn
broertje of over mijn zusje, over een paard of eene
koe, onz.
2o AVat ïVi er van zef^gen zal: of hij ziek
is of p:ezond, of hij speelt of leert, enz.
Ziehier een voorbeeld:
Mijn broertje is ziek.
Waarover of van wien spreek ik P Dat is dus N" 1.
Staat er ook bij : 2, wat ik er van zeg ?
Dit zinnetje heeft dus twee deelen, evenals eene lei
er ook twee heeft. Bij de lei zijn die deelen: de lijst
en het blad; bij dit zinnetje zijn het: 1° Mijn broertje;
en 2° is ziek.
Had ik alleen eene lijst, dan had ik nog geene lei;
daartoe zijn lijst en blad beide noodig. Zeide ik enkel:
„Mijn broertje,'* dan had ik u nog niets verteld; en even-
min , als ik enkel zei: „ is ziek."
Maar zeg ik beide deelen : „ Mijn broertje is ziek
dan eerst heb ik iets verteld, dan eerst heb ik een
zin gezegd.