Boekgegevens
Titel: De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Deel: 2e stukje
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Tilburg: R.K. Jongens-weeshuis
Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1897 *
8e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202791
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
Voornaamwoorden.
Ö1 Voornaamwoorden zet men voor andere
■naamwoorden in de vlaats.
Jan zegt tot Piet: Jk iieb u gezien.
ri£ staat liier in de plaats van het naamwoord eTau ;
i k is dua een voornaamwoord.
Waarvoor staat u in de plaats? U is dns ook......
Schrijf achter elk cursief gedrukt voornaamwoord,
wie of ivat er door bedoeld ivordt. Tusschen haakjes!
Voorbeeld : Jan zegt tot Piet: Ik (Jan) heb u
(Piet) gezien.
Karei en Berta.
(( O Kareltje , blijf hier, ivij hebben zoo'n pleizier !
Mijn pop en knikkers geef ik u —■
(( De klok, lief zusje , roept mij nu
Naar school."—
c( Wat hebt gij daar te maken ?"—■
(( Daar leer ik , o , zoo schoone zaken !
« Gij wilt ze ook wel kennen, he?"—
c( Ja , Kareltje, ik ga met u mee."