Boekgegevens
Titel: De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Deel: 2e stukje
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Tilburg: R.K. Jongens-weeshuis
Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1897 *
8e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202791
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine taalvriend: taaloefeningen voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bü'voeglüke naamwoorden
en Telwoorden.
3H. Woorden, die zeggen, hoe perso-
nen of dingen zijn, heeten bijvoeglijke
naamwoorden.
Zeg ik: De suiker is zoet, dan is zoet een bijvoeglijk
naamwoord ; waarom ?
Geef hijcoeglijke naamwoorilen op:
5, die den smaak aanduiden: zoet.
'10, die de kleur aanduiden: wit, lichtbruin.
5, die de afmcUng aanduiden: lang, smal.
3, die den vorm aanduiden: ovaal.
Eindelijk 10, die iets aanduiden, loat niet onder
smaak, kleur, afmeting of vorm begrepen is: schoon,
lui.
3^* Het bijvoeglijk naamwoord krijgt dikwijls eene e
bij , als het vlak voor een zelfstandig naamwoord staat:
Een leeuw is sterk ^ een sterkte leeuw.
Maar riet altijd :
Het paard ia dartel^ een dartel paard,
f wordt v: De lijn is scheef', de scbeeve lijn.
Schrijf nog 2 andere voorbeelden.
s wordt z : De ezel is grijs, de grijze ezel.
Schrijf nog 3 andere.
a-a en uu worden soms a en u.; waarom?
De heide is schraal, de schrale heide.
Het weer is guur, het gure weer.
Schrijf nog 5 andere.