Boekgegevens
Titel: Hulp-acte: schriftelijke werkzaamheden, gevolgd door eenige mondelinge verslagen van de examens, gehouden in April 1894 voor de acte van onderwijzer en onderwijzeres
Auteur: Jong, S. de
Uitgave: Schoonhoven: S. & W.N. van Nooten, 1894
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5150
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202771
Onderwerp: Onderwijs: beroepsonderwijs
Trefwoord: Examenopgaven, Pedagogische academies
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hulp-acte: schriftelijke werkzaamheden, gevolgd door eenige mondelinge verslagen van de examens, gehouden in April 1894 voor de acte van onderwijzer en onderwijzeres
Vorige scan Volgende scanScanned page
4. Verklaar de beteekenis van twee der volgende uit-
drukkingen en gebruik die in flinke zinnen: ■
a. Zich verkneukelen in.
h. Zijne sporen verdiend hebben.
c. Het vuur na aan de schenen leggen.
d. De opgaande zon aanbidden.
B. Rekenen.
1. Hoeveel getallen tusschen 10.000 en 20.000 zijn deel-
baar door 14, maar niet door 21?
Antwoord: 476 getallen.
2. Een manufacturier koopt laken, deels naar f 5, deels
naar ƒ5,40 den Meter, samen voor /'463?. Hij verkoopt alles
naar fh^lh den Meter en wint zoo op de tweede partij f 15
meer dan op de eerste. Hoeveel Meter kocht hij naar f 5
den Meter?
Antwoord: 14 M. van f 5.
3. Uit P. gaat een voetganger naar Q. met eene snelheid
van 4} KM. per uur, en uur later uit Q. een ruiter, die
7 KM. per uur aflegt. Bij de ontmoeting heeft de ruiter
1; maal zooveel van den weg afgelegd als de voetganger.
Hoeveel KM. is de afstand van beide plaatsen?
Antwoord: 54 KM.
4. A. heeft 30 gulden, B. heeft er 60. A. geeft een zeker
aantal guldens uit, B. vijfmaal zooveel, waarna de resten zich
verhouden als 3 : 5. Hoeveel heeft A. uitgegeven?
Antwoord: ƒ 8.
5. Uit een rechten cirkelvormingen cilinder, waarvan de
middellijn en de hoogte beide 35 cM. bedragen, heeft men
den grootst mogelijken bol gesneden. Bereken den inhoud
en de oppervlakte van dien bol. Hoeveel was de cilinder
grooter dan de bol? M : O. = 7 : 22.
Antwoord: Inhoud = 22458| cM=; oppervlakte =
3850 cM^ verschil = 112291 cM'.
C. Paedagogiek.
Kies uit de beide volgenden één onderwerp voor een be-
knopt opstel:
1. Vroeger werden de tafels van vermenigvuldiging
,machinaal" van buiten geleerd. Wat verstaat gij hieronder?
Hoe zoudt gij de leerlingen tot de kennis van de tafels
willen brengen?