Boekgegevens
Titel: Hulp-acte: schriftelijke werkzaamheden, gevolgd door eenige mondelinge verslagen van de examens, gehouden in April 1894 voor de acte van onderwijzer en onderwijzeres
Auteur: Jong, S. de
Uitgave: Schoonhoven: S. & W.N. van Nooten, 1894
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5150
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202771
Onderwerp: Onderwijs: beroepsonderwijs
Trefwoord: Examenopgaven, Pedagogische academies
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hulp-acte: schriftelijke werkzaamheden, gevolgd door eenige mondelinge verslagen van de examens, gehouden in April 1894 voor de acte van onderwijzer en onderwijzeres
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
c. Wat hebt ge op- of aan te merken omtrent de woord-
schikking van den zin in den regel?
d. Waarbij hoort de samengestelde zin in de regels
19 en 20?
e. Benoem den zin:
„H Geen had een oorsprong"
f. Benoem de cursief gedrukte woorden taalkundig.
g. Is staat in den regel een begripswerkwoord of
betrekkingswerkwoord (koppelwerkwoord)? Gebruik
het in beide gevallen in een zin.
2. Verklaar één van de onderstaande woorden of uit-
drukkingen , d. i. deel de afleiding van de figuurlijke be-
teekenis uit de oorspronkelijke of stoffelijke mede en
gebruik dat woord (uitdrukking) in minstens een paar
degelijke zinnen:
struikelblok, afhankelijk,
zich vergrijpen aan, te veel hooi op zijn vork nemen.
3. Geef van onderstaande zinnen er drie zonder beeld-
spraak weer:
a. Velen menschen berijden een stokpaardje.
h. Daar zij zagen, dat alle tegenstand vruchteloos was,
legden zij het hoofd in den schoot.
c. Op 't gebied van handel en scheepvaart hebben de
Engel schen ons overvleugeld.
d. Het geweten moet onze gids zijn.
e. Ieder gevoelde, dat de verklaring van den Minister
veel gewicht in de schaal legde.
f. Die man is de slaaf zijner driften.
g. Behoefte woonde in 't hutje hij de vlijt.
h. De oogen zijn vaak de spiegel van de ziel.
B. Rekenen.
1. Als ik van eene partij koopwaren de helft verkoop
a f 3, een derde deel a f 3,25 en de rest a f 3,50 het KG.,
win ik 5§ dat is f 50. Hoe groot was de partij?
Antwoord: 300 KG.
2. A. geeft { van zijn geld aan B., waarna zij evenveel
hebben. Geeft B. van zijn geld f 60 aan A., dan heeft
deze driemaal zooveel geld als B. Hoeveel had ieder?
Antwoord: A. f 210 en B. f 150.
3. Twee getallen verhouden zich als 15 : 19. Tel ik bij
het eerste 100 en vermindert men 100 met het tweede, dan