Boekgegevens
Titel: Hulp-acte: schriftelijke werkzaamheden, gevolgd door eenige mondelinge verslagen van de examens, gehouden in April 1894 voor de acte van onderwijzer en onderwijzeres
Auteur: Jong, S. de
Uitgave: Schoonhoven: S. & W.N. van Nooten, 1894
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5150
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202771
Onderwerp: Onderwijs: beroepsonderwijs
Trefwoord: Examenopgaven, Pedagogische academies
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hulp-acte: schriftelijke werkzaamheden, gevolgd door eenige mondelinge verslagen van de examens, gehouden in April 1894 voor de acte van onderwijzer en onderwijzeres
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
Blijf wat ge waart, toen ge blonkt als een bloem;
Zorg, dat Europa den zetel der orde.
Dat de verdrukte zijn wijkplaats u noem'.
Land mijner Vadren, mijn lust en mijn roem!
En wat de donkere toekomst bewaart,
Wat uit haar zwangere wolken ook worde,
Lanw'ren behooren aan 't vleklooze zwaard,
Land, eens het yrijst' en gezegendst' der aard'!
2. Wijs het zinsverband aan in couplet I.
3. Ontleed redekundig: regel 1, 2 en 3 van couplet IIL
4. Ontleed taalkundig liet woordje wat (in couplet III,
regel 1, en in couplet IV, regel 1 en 2).
5. Benoem de zinnen van couplet iV.
6. Geef de verschillende beteekenissen van het voorzetsel
uit, en helder die door voorbeelden op.
B. Aardrijkskunde.
Beschrijf de kusten van Nederland naar hare natuurlijke
gesteldheid en hare geschiktheid voor het verkeer.
C. Opvoeding.
Hoe zult ge het bij uw onderwijs in de aanvangsklasse
aanleggen, om de kinderen goed te leereu spreken?
0. Rekenen.
1. Van eene echte breuk verschillen teller en noemer 89.
Telt men 11 bij den teller en deelt men den noemer door 4,
dan krijgt de breuk de waarde van Welke breuk is het?
Antwoord:
2. Welke is de waarde van x in de meetkundige even-
redigheid :
(x —21) : (ic—18) = (x —13) : (x —4).
De hoofdeigenschap mag niet toegepast worden.
Antwoord: x = 25.
3. A. heeft 4 en B. 3 HA. weideland. A. heeft 6, B. 5
en C. 3 koeien. Zij komen overeen, dat hunne koeien ge-
zamenlijk het land zullen afgrazen. Als 0. nu f 150 weide-
geld betaalt, hoeveel komt B. daarvan dan toe?
Antwoord: ƒ 50,
4. Iemand kocht den 25. October 9 stuks 2;-"/o N. W.