Boekgegevens
Titel: Hulp-acte: schriftelijke werkzaamheden, gevolgd door eenige mondelinge verslagen van de examens, gehouden in April 1894 voor de acte van onderwijzer en onderwijzeres
Auteur: Jong, S. de
Uitgave: Schoonhoven: S. & W.N. van Nooten, 1894
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5150
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202771
Onderwerp: Onderwijs: beroepsonderwijs
Trefwoord: Examenopgaven, Pedagogische academies
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hulp-acte: schriftelijke werkzaamheden, gevolgd door eenige mondelinge verslagen van de examens, gehouden in April 1894 voor de acte van onderwijzer en onderwijzeres
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
a. Ontleed taalkundig de cursieve woorden.
b. Waarom is naar (regel 3) een voorzetsel? Gebruik
het als een ander rededeel in een zinnetje.
c. Wat voor zin is de bijzin in regel 7? En waarom?
'd. Benoem redekundig:
de kroon der helden (regel 3), van zijn geweer (regel 6),
eeuwige eer (regel 3), den steek (regel 6).
e. Welke namen heeft De Ruijter in dit grafschrift?
Waarom wordt hij zoo genoemd?
2. Verklaar drie van de volgende figuurlijke uitdrukkingen;
rt. Het plan viel in duigen.
b. De mijn is verkeerd gesprongen.
c. Hij vergeet den afstand, die hem van zijn meester
scheidt.
d. Een boom valt niet met den eersten slag.
e. Met twee maten meten.
f. Een dam opwerpen tegen.
3. Bedenk een verhaaltje, waaruit de waarheid van één
der volgende gezegden blijkt:
a. De kruik gaat zoo lang te water, tot ze breekt.
b. Alle hout is geen timmerhout.
c. Tusschen twee vuren zitten.
d. Wie kaatsen wil, moet den bal verwachten.
e. Water naar de zee dragen.
f. Ook het leven heeft zijn eb en vloed.
B. Rekenen.
1. A., B. en 0. handelen. Van de winst, groot f 540,
krijgt C. f 120 meer dan B. De gezamenlijke inleg is
f 7200 grooter dan die van B., terwijl de inleg van' C.
het bedraagt van die van A. en C. samen. Bereken ieders
inleg en de winst ten honderd.
Antwoord: A. /■1200, B. /■3r)00, C. fGOOO, a 5''/„.
2. Eene breuk krijgt de waarde van /s, als men den
teller met 5 vermindert en den noemer met 7 vermeerdert.
Trekt men echter van den teller 7 af en telt men bij den
noemer 9 op, dan is de waarde der breuk yf. Welke breuk is dat?
Antwoord:
3. Van een stuk land, in den vorm van een trapezium,
is de eene schuine zijde 2| dM. en de loodlijn, uit het midden
der andere schuine zijde op haar neergelaten, dJl. Als
dat land gekocht werd tegen f 1,40 de cA., wat is dan de