Boekgegevens
Titel: Leerboek der meetkunde
Deel: II Leerboek der stereometrie / door J.C. Eger
Auteur: Eger, J.C.
Uitgave: Leiden: E.J. Brill, 1884
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3642
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202752
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der meetkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
dan heet het lichaam een eubus of teerling. Bij zoodanig lichaam
wordt de laatst verkregen vergelijking nog eenvoudiger, nl.
=
waaruit d = a\J 3.
§ 14.
DE PYRAMIDE.
Het merkwaardigste onder de veelvlakkige lichamen is de pyra-
mide, omdat, zooals wij later zullen aantoonen elk prisma en
ook elk prismoïde in pyramides kan verdeeld worden.
Van het ontstaan eener pyramide kan de volgende bepaling
gegeven worden:
Wanneer een drie- of veelvlakkenhoek doorsneden tvordt door
een vlak dat niet door het toppunt gaat ontstaat eene pyramide.
Of ook: Wanneer een punt in de ruimte verhonden wordt
met alle hoekpunten van een willekeurigen veelhoek, en men
denkt zich door elk tweetal opvolgende lijnen (uit dat punt
getrokken) vlakken, zoo ontstaat eene pyramide.
Het toppunt van den veelvlakken-hoek, of volgens de tweede
bepaling, het punt in de niimte heet toppunt der pyramide;
de vlakken, die in dat punt samenkomen, heeten opstaande
vlakken, en de willekeurige veelhoek
tegenover den top heet basis oigrond-
vlak der pyramide.
In nevensstaande figuur 36 is T het
toppunt, de veelhoek A B C D E het
grondvlak, en de diiehoeken ABT,
B C T enz. zijn de opstaande zijden.
De basis kan een drie- of veelhoek
zijn; de opstaande zijden zijn altijd
driehoeken.
Laat men uit T de loodlijn T P op
de basis vallen, dan heet deze de hoogte
der pyramide.
Elke pyramide ontleent haren naam
aan het aantal hoekpunten van het grondvlak. Eene driehoekige
Fig. 36.