Boekgegevens
Titel: De eerste trap van het leesonderwijs in aanschouwingsoefeningen: handleiding bij 't gebruik van twaalf platen voor 't eerste leesonderwijs
Auteur: Bouman, H.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
3e verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-249
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202732
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Leesmethoden, Aanschouwelijk onderwijs, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De eerste trap van het leesonderwijs in aanschouwingsoefeningen: handleiding bij 't gebruik van twaalf platen voor 't eerste leesonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
64
papier, 't Was goed, dat Vader juist binnenkwam, anders had jan
zich wel heelemaal bemorst. Kinderen moeten niet morsen.
VI. Van buiten leeren.
Er zijn twee kleine venstertjes
In ""t huis, elk van een ruit;
Daar kijkt de heele wereld in,
De heele wereld uit.
Een vlugge schilder zit er voor
En teekent heel getrouw
Elk ding, zooals het wezen moet,
Wit, zwart, rood, groen of blauw
goev. Pret. Deuntjes.
Boek! mijne ouders wenschen zeer,
Dat ik vlijtig in u leer;
Wilt gij mij dan wel eens zeggen,
Wat ik doen en laten moet.
En hoe ik het aan moet leggen.
Om te worden wijs en goed? —
Luister 't mij eens stil in de ooren,
Want ik zou het gaarne hooren.
Foei, wat zijt gij onbeleefd,
Dat gij mij geen antwoord geefc!
Maar al wilt gij het ook zwijgen,
Boek, dat helpt u niemendal,
■"k Zal het toch wel uit u krijgen,
Want ik lees u heel en al. —
'k Zet mijn speelgoed in een hoekje
En ga leeren in mijn boekje.
goev. Fabelboek.
Wees rein en zindelijk op uw kleeren,
De vogels kent men aan hun veeren.
heije.
VIL Zingen, Het geitje^ qoeverk. en worp, Zingende Kinder-
wereld, no. 5. Wat hebben lüij ganzen voor kleeren aan ^ ld. no, 2.
1
VIII. Schrijfoefeningen. De schrijfoefeningen bepalen zich bij de
vier eerste platen tot de rechte neerhaal, lang en kort met omhaal
en ophaal, tot den grondvorm van o en e en tot het namaken der
letterteekens, die tot dusverre zijn aangeleerd.