Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
98 HET PAAKD.
of hij wierp zich op zijn ros, dat hem als op de vleugelen
des winds weer naar de welbekende tenten droeg.
Het paard behoort wegens zijne schoonheid onder de lie-
velingen der menschen. De ezel komt veel met het paard
in gedaante overeen, en toch houden wij den ezel voor een
der leelijkste, het paard voor eeb der schoonste dieren. Wat is
daarvan de oorzaak? Dit, dat bij den ezel de afzonderlijke dee-
len des ligchaams niet zoo juist bij elkander passen , dat zijn ge-
heele ligchaamsbouw niet zoo juist geëvenredigd is, als die van
het paard. Bij den ezel staan de oogen dof en fiaauw, zijn de
ooren lang en slap neerhangend, is de kop zeer groot, de hals
kort, het haar vuil-graauw, en stroef, de staart lang, kort be-
haard en slechts aan de punt van een bosje langere haren voor-
zien. Bij het paard daarentegen zijn de oogen levendig en
open, de ooren kort en steil opstaande, is de kop klein, de
hals slank en gebogen, het haar glad, de staart kort, maar
met een rijken dos van lange glanzige haren versierd.
Maar niet minder geliefd is het paard wegens het uitge-
breide nut, dat het ons schenkt; en dit nut heeft zijnen oor-
sprong in zijn verstand, zijnen moed, zijne trouw en zijne
volharding. De zintuigen des paards zijn buitengewoon scherp,
en daardoor is het meermalen in den grootsten nood de red-
der der menschen geworden. Wanneer de ruiter in een don-
keren nacht, bij hevigen stormwind en regen of sneeuwjagt,
van den regten weg is afgedwaald en zich lang vruchteloos
afgetobd heeft, om dien weder te vinden, wil zijn paard hem ,
dikwijls niet langer gehoorzamen of luistert naar teugel noch
sporen. In zijne vertwijfeling geeft hij zijn ros nu den vrijen
teugel, waarop het trouwe dier de leiding van zijn'gebieder
op zich neemt, den grond besnuffelt, behoedzaam voorwaarts
treedt en niet zelden spoedig den regten weg weder vindt.
De gang van het paard is vast en gelijkmatig, op steile