Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
80 DE GEMS.
tweede springt op haren rug, om vandaar een nieuwen sprong
te maken en op hare beurt in de sneeuw te zinken; dan
volgt eene derde, en dit gaat zoo voort tot de laatste; waarop
de eerste zich uit haar sneeuwbed verheft en weder over de
anderen wegspringt. Op deze wijze zetten alle gemzen hare
reize voort, totdat zij weder vasten grond onder hare voeten
hebben bekomen.
Maar deze vreedzame dieren zijn zelfs op hunne moeijelijk
te genaken weideplaatsen niet zeker voor hunne vijanden.
Twee zijn hun inzonderheid zeer gevaarlijk. De eene is de lam-
mergier. Deze roofvogel, die even als de gemzen, de hooge
Alpenspitsen tot zijn verblijf kiest, zweeft dikwijls hoog boven
haar in wijde kringen door de lucht. Ziet hij nu een jong
dier in eenen schuilhoek liggen of vrolijk rondom zijne moe-
der huppelen, dan stort hij met de snelheid des bliksems er
op neder, grijpt het met zijne krachtige klaauvven, vliegt er
mede naar zijn nest, en verscheurt en verslindt het daar.
Doch een ander, nog gevaarlijker vijand hebben de gem-
zen in den mensch. Sedert langen tijd is de gemzenjagt een
tak van bestaan voor de bergbewoners, en dat is de reden,
waarom het getal der gemzen ieder jaar afneemt. Maar
slechts stoutmoedige, van duizeling vrije en geoefende schut-
ters zijn voor dit halsbrekend bedrijf geschikt. Vroeg in de
morgenschemering, als de nevel nog niet opgetrokken is uit
de dalen, wxi-pt de gemzenjager zijne weitasch over den
schouder, voorziet zich van het noodige voedsel, maakt de
voetijzers aan zijne laarzen vast, grijpt staf en buks, en
verlaat zijne woning, — misschien om er nimmer terug te
keeren. Welgemoed bestijgt hij den berg, en wanneer hij
nu de sennehutten der bergweiden achter den rug en
<*) Sennehutten zijn de zomerwoningen der koeherders op de