Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
76 DE KAMEEL.
bun gehuil en gebrul huivert de reiziger, en siddering overv&lt
zijne kameelen. Op zulke plaatsen is de woestijn het ware beeld
des doods. Dieren, planten en water ontvlugten haar, en ook
de mensch verheugt zich, wanneer hij haar einde heeft bereikt.
Intusschen heeft ze niet overal en ten allen tijde zulk een
schrikbarend voorkomen. Na den regentijd vloeit het water
weder in de beddingen der uitgedroogde beken, en menige
plaats, die in den dorren zomertijd niets dan een heet zand
opleverde, kleedt zich in de lente voor eenige weken in een
frisch groen, rijk versierd met welriekende bloemen van de
gloeijendste kleuren en omflaclderd door gouclglanzige kevers
en bonte kapellen. Ook zijn de bewoonbare streken der
woestijn niet van menschen ontbloot, maar door de Bedouï-
nen in bezit genomen, die daar met hunne groote kudden
van kameelen, geiten en schapen van weideplaats tot weide-
plaats trekken. Deze onder tenten levende menschen ont-
vlieden de dorpen en steden, en bekomen, wanneer ze zich
daarin bevinden, het heimwee naar het vrije, onafhankelijke
leven in de door hen geliefde woestijn. Juichend en zingend
begroeten zij ze daaróm ook, wanneer het hun vergund is, er
in terug te keeren. Maar de reiziger moet bestendig op zijne
hoede tegen hen zijn; want deze zonen der woestijn zijn zoo
roofzuchtig van aard, dat zij er volstrekt geen zonde in zien,
om ieder' reiziger, dien zij buiten hunne tent ontmoeten, van
goed en leven te berooven. Terwijl dus de ruwe Bedouïen
door zijne roof- en plunderzucht de verschrikkingen des woe-
stijns nog vermeerdert, is de beschaafde Europeër er thans
ernstig op bedacht, om hier alle gevaren te doen verdwijnen,
en wil hij den zegen zijner uitvindingen ook in deze woeste
streken verplanten, om den mensch te verlossen van het juk,
dat de natuur hem hier heeft opgelegd. Gelukt het te eeni-
ger tijd, dat men de woestijn op spoorwegen doorvliegt, dan