Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
74 DE KAMEEL.
tong en smachtende keel; dan herstelt de versterkende vrucht
des palmbooms zijne uitgeputte krachten en verlevendigt zijn'
moed, om de reize verder voort te zetten. Zoo is de oase
reeds voor menigen reiziger, als een op strand geworpen
schipbreukeling, een reddend eiland geworden.
Het grootste gevaar, zoo hier als op de zeeën, brengen
echter de stormen den reiziger aan. Stapelen de wolken zich
plotseling aan den zoo even nog helderen hemel tot roodachtig
graauwe berggevaarten opeen; verliest de zon haren glans, en
hangt zij als eene matte, bleekroode schijf in eenen onheil
spellenden nevel, dan kan hij er op rekenen, dat de orkaan
der woestijn in aantogt is. De duisternis neemt toe met eene
schrikbarende snelheid; weldra kan men geen twintig schreden
meer van zich afzien. Het zand schijnt te leven en beweegt
zich golvend als onstuimige zeebaren; de fijnste zandkorrels
worden even als schuimend water in de hoogte gejaagd, en
vallen, nadat ze dwarlend de lucht zijn doorgevlogen, op
menschen en dieren met eene hitte neder, alsof ze die in een
gloeijenden oven hadden opgedaan. Oogen, oorenen mond
worden met zand vervuld. Thans helpt den reiziger geen be-
schermend kleed, — want het stuifzand dringt door tot op dé
huid; nu baten hem geene nog zoo digt sluitende kisten en
zakken,— want het dringt door de kleinste voegen en poriën
heen: alles wordt door den storm bedorven , even als op zee,
wanneer daar de orkaan de zilte baren in het scheepsruim jaagt.
Wel sluiten thans de kameelen hunne neusgaten en ver-
volgen in den beginne nog hunnen weg met afgemeten pas;
maar weldra kunnen ze niet meer uit hunne oogen zien.
Kan men nu niet' te goeder ure nog achter eene rots of in
de uitgedroogde bedding eener regenbeek eene schuilplaats
vinden, dan worden de dieren, even als de schepen op
den door storm beroerden oceaan, her- en derwaarts in het