Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
70
DE KAMEEL.
metaalglanzige vederen, daar goudgeschubde visscben en slan-
gen, daar leveren de bergen rijke schatten en fonkelende
edelgesteenten en schitterende metaalertsen.
Kan de kameel u nu al niet door fraaiheid van kleur of
door schoonheid van gestalte bekooren, desniettemin vereenigt
hij zoo veel nuttigs in zich, dat hij daardoor uwe belang-
stelling overwaardig is. Zonder dit dier zouden de door woe-
stijnen gescheidene volken even zoo min bij elkander kunnen
komen, als de door zeeën van elkander verwijderde natiën
zonder schepen. Bij eene hitte en droogte der lucht, waarin
paarden en ossen zouden versmachten, zet de kameel zich
bij den opgang der zon in beweging, en kan, zonder te eten
of te drinken, tot aan haren ondergang zijne reize voortzetten.
De ruwste bergpaden stijgt hij gemakkelijk en met zekeren
tred op en af, en is dan des avonds bijkans nog even zoo
vlug ter been, als toen hij des ochtends zijnen loop begon.
Uit zijn haar wordt een vilt voor tenten en mantels bereid,
't welk zoo digt is, dat de regen er niet doordringen kan.
Zijne huid schenkt leder voor schoenen. Zijne melk wordt
tot boter en kaas verarbeid; ja, eenige volken bereiden er
zelfs eene soort van bedwelmenden drank uit. Zijn vleesch,
vooral dat der jongen, is welsmakend; en gelijk dit dier in
de waterlooze streken somwijlen het gemis van bronnen ver-
goedt, zoo kan het ook in deze booinlooze woestenijen in de
ontbrekende brandstof voorzien, daar zijn mest, even als
hout, aan het vuur wordt gelegd. De woestijnbewoners ver-
zamelen dien daarom, droogen hem in de zon, maken er een
vuurtje van en koken daarop hunne koffij, bakken er hunne*'
gerstebrooden in, ja, braden het dier zelf boven de door
hem geleverde brandstof.
Met al deze nuttige eigenschappen vereenigt hij een taai
geduld en eene stipte gehoorzaamheid. Men behoeft hem