Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE KAïMEEL. 69
bezwaarlijk zouden maken. Voor de gewrichten van ieder der
voorpooten zitten twee, en aan ieder der achterpooten één harde
eeltknobbel, die, met een grooten knobbel aan de borst, het
zware ligchaam dienen, om er op te leunen, wanneer de ka-
meel vermoeid is en nederknielt. AVant knielend ontvangt het
dier zijne lasten; knielend laat het zich die weder afnemen;
ja, knielend slaapt bet en rust het uit van de vermoeijenis-
sen des daags, waarbij het zijn* hals op den grond van zijn
zandig nachtkwartier uitstrekt. Daar zijn kop op een langen
hals zit, is het hem mogelijk, zoo in 't voorbijgaan hier een
sappig blad van eene struik af te rukken en daar een korten
grashalm van den grond op te nemen, zonder hierdoor in
zijnen loop opgehouden te worden. Distelen en stekelige krui-
den nuttigt hij met denzelfden eetlust als het meest malsche
voeder. Daar zijne keel, even als zijne tong, met eene har-
de, lederachtige huid is bekleed, zoo kan hij die distels en
doornen kaauwen en slikken , zonder zich te wonden.
Zijn kop verraadt wel het meest, dat hij tot het geslacht
der schapen behoort. De bovenlip is gespleten, de neus plat,
en ook de tanden zijn als die der schapen gevormd. Op
eene fraaije gestalte kan hij in 't geheel geen aanspraak ma-
ken. De kleine kop op den langen , gekromden hals, de bul-
ten op zijn' ru^, het eenkleurige haar van zijn ligchaam, dat
niet zelden op onderscheidene plaatsen afgeschaafd is, de
waggelende gang zijner lange pooten, die hij aan de eene
zijde gelijktijdig opheft en aan de andere zijde gelijktijdig
nederzet: dat alles maakt hem tot een leelijk dier, dat zoo
veel te meer in het oog valt, omdat hij in eene luchtstreek
leeft, waar de natuur een' rijkdom van schitterende kleuren
en schoone vormen in de meeste harer voortbrengselen ten
toon spreidt. Daar toch leven de bont gevlekte panters en
luipaarden, daar de papegaaijen en kolibrietjes met hunne