Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
64
DE WA'iVISCH. 64
is, rukt hij zich somwijlen los en ontsnapt de op buit hopen-
de visschers. Deze moeten bij de vervolging de grootste voor-
zigtigheid in acht nemen en dikwijls vele lijnen aan elkander
binnen, die door de andere sloepen worden aangebragt. Heeft
men geene lijnen genoeg, dan slaat men het touw met een
dubbelen slag om den voorsteven, en volgt alzoov den vlugten-
den waterreus, zorg dragende bet van tijd tot tijd te laten
vieren, opdat het vaartuig niet door hem zou worden onder
water getrokken. Kaakt de lijn verward, of schiet de visch al
te ontstuimig met eene te korte lijn naar de diepte, dan moet
zij afgekapt en de vervolging voor *t oogenblik gestaakt wor-
den, Heeft men daartoe den tijd, dan wordt eene ton aan
de lijn gehecht, opdat het spoor van den visch niet verloren ga.
Is de worp echter gelukkig en zijn alle andere omstandig-
heden gunstig geweest, dan is alle worstelen van den walvisch
te vergeefs; na verloop van een half uur komt hij afgemat
aan de oppervlakte terug en schept nu adem met een ver-
vaarlijk geblaas. Na de eerste sloep zijn ook andere booten
te water gelaten en op gegeven seinen in de nabijheid van
den visch gekomen. Wie nu het digtst bij hem is, drijft hem
een tweeden harpoen in het kolossale lijf. Op nieuw begint
dan zijn woelen en spartelen; maar zijne krachten verminde-
ren, spoediger moet hij de oppervlakte zoeken, wonde bij
wonde wordt hem door de harpoenen toegebragt, zoodat de
zee met zijn bloed rood wordt geverwd. Thans wagen zich de
sloepen wat nader bij hem, doch nog niet zonder gevaar. Wee
haar, wanneer eene er van onder het bereik van zijn krachti-
gen staart mögt komen: een enkele slag zou haar verbrijzelen
en de manschap noodzaken , om met zwemmen hare redding te
zoeken. Daarom trachten de visschers hem van ter zijde te na-
deren en zijne longen met lanssteken doodelijk te kwetsen,
en wanneer hun dit gelukt, blaast hij eindelijk onder vele