Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE WA'iVISCH. 61
Na het begin der walvischvangst is het getal der daartoe
uitgeloopene schepen van jaar tot jaar toegenomen; en geen
wonder, want niet alleen Engelschen en Nederlanders, maar
ook Franschen, Duitschers, Zweden en Denen willen de voor-
deden daarvan trekken.
Soms telde men wel eens vierdehalf honderd schepen van
onderscheidene natiën van den 77sten tot den 79sten graad
Noorderbreedte, en deze bekwamen door de menigte der wal-
visschen zulk eene rijke vangst, dat in het jaar 1697 hon-
derd een en twintig Hollandsche schepen met den buit van
1250 visschen beladen terugkeerden.
Maar hoe meer het aantal schepen toenam, des te schu-
wer werden de visschen, en des te meer weken zij naar het
hooge noorden, waar zij eene schuilplaats zochten tusschen
de drijvende ijsvelden en ijsbergen, die daar de oppervlakte
der zee bedekken. Doch ook hier vervolgden hen de koene
visschers in hunne nu sterker gebouwde schepen, en ver-
kregen nog langen tijd een gewenschten buit.
Soms vindt men de walvisschen in een groot getal bij
elkander, hoewel het niet is gebleken, dat zij een gezellig
leven leiden. Daar zij door hun vet zeer ligt zijn, kunnen zij
zich gemakkelijk aan de oppervlakte van het water ophouden;
het naar beneden duiken daarentegen kost hun inspanning.
De diepte, tot^welke zij dalen, is niet naauwkeurig op te ge-
ven ; zij moet echter niet groot zijn, wanneer het dier niet ge-
wond is. De tijd, dien zij onder het water doorbrengen, om
voedsel te zoeken, duurt meestal van 10 tot 15 minuten. Dan
komen zij weder te voorschijn, blijven eenige minuten boven,
om adem te halen, en duiken op nieuw naar de diepte. Tot
tijdverdrijf gaan zij soms op den kop staan, en slaan dan zoo
hevig met den staart op het water, dat het gedruisch op verren
afstand vernomen wordt. Gewoonlijk leggen zij drie uren