Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE WALVISCH. O 9
Ja, zelfs na de uitvinding van het kompas verstreken er nog
eenige eeuwen, voordat een schip naar het noorden stevende;
alle zeilden toen naar de goudlanden van Amerika en naar hetspe-
cerijrijke Oostindie. Eerst in den aanvang der zeventiende eeuw
begonnen de Europeanen schepen voor de walvischvangst uit te
rusten , toen zij ontdekten , dat niet alleen de heete keerkringslan-
den, maar ook de koude poolzeeën den metisch voortreffelijke
schatten, hoewel van een geheel anderen aard, aanbieden. In
het jaar 1612 voeren de twee eerste Nederlandsche schepen ter
walvischvangst uit, doch met een ongelukkig gevolg, wijl de En-
gelschen , die reeds vier jaren vroeger de eerste schepen met het-
zelfde oogmerk hadden uitgezonden, de onzen namen en hen van
al hunne vangst en vischtuig beroofden. Intusschen werd daar-
door de ijver onzer landgenooten niet uitgebluscht; want toen
twee jaren later een door de stad Hoorn uitgerust schip met eene
goede lading te huis kwam, spoorde dit goede begin verscheidene
nijvere kooplieden aan , eene maatschappij ter walvischvangst op
te rigten. En deze werd in 1614 door de Algemeene Staten van
ons land met een octrooi begunstigd , waarbij aan anderen de wal-
vischvangst naar Groenland, Spitsbergen en de Straat Davids
verboden werd.
Door deze togten nu leerde men de zeebewoners van hethooge
noorden kennen, en verkreeg men ook de eerste naauwkeurige
beschrijvingen van den walvisch. Spoedig bleek het, hoe weinig
hij den naam van visch verdiende. Want slechts zijne woonplaats,
de zee, heeft hij met de visschen gemeen. In meest al het andere
is hij van hen onderscheiden. De visschen hebben meestal een
hoog en smal, de walvisch heeft een rond , cilindervormig lig-
chaam ; de staart der eersten staat regt op, die des laatsten is ge-
bogen als eene halve maan. De visschen zijn met zilverglanzige
schubben bedekt; de walvisschen met eene huid, die op den rug
zwart en wit gesprenkeld en aan den buik van eene vuil witte kleur