Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
56 DE HOENDERS.
heeft nagelaten, en deze onder het kroost van eene andere
hen worden gestoken, dan ziet men dikwijls, dat ze spoedig
door de stiefmoeder als vreemden herkend en door haar ver-
waarloosd of zelfs mishandeld worden. Somtijds is zij ook
wel hard tegen hare eigene jongen, wanneer deze namelijk
eene kleur hebben, die ze niet lijden mag.— Dikwijls vergt
men toch ook wat al te veel van de hen; want in plaats van
hare eigene, moet zij soms eendeneijeren uitbroeden; en zij
doet dit met even veel liefde en trouw. Doch wanneer zij
nu de jonge eendjes naar buiten voert en eene sloot of een'
vijver nadert, dan ziet ze met schrik, dat het eene eendje voor,
het andere na, zich te water begeeft. Alleen aan den oever
achterblijvende, loopt ze nu angstig heen en weer, en zoekt
de kleintjes door haar geklok weer tot zich te lokken. Schoon
heeft de dichter gellert den angst der hen in een gedicht'
geschilderd, waarvan hier eenige regels volgen.
Een hen geleidde in 't jeugdig prns
Hanr kiekentjes, waarbij een eendje was,
Van 't zelfde broedhel voortgekomen.
Allengskens naar den tuin gegaan,
Wijst de oude aan 't huisgezin den kost door 't lokken aan,
En ieder volgt, zoodra haur roepstem wordt vernomen;
Want zij gebiedt met teedre kindermin.
Het eendje rept zich meß, doch komt den tuin pas in,
Of ziet den vijver, dien het nimmer zag voor dezen.
Het loopt en baadt zich st/aks in 't helder nat. —
Klein diertje! hoe! gij zwemt? Wie leerde u dat?
Begeeft ge u dus te water zonder vreezen?
Zoudt gij, zoo jong, in 't zwemmen kundig wezen? —
De hen wordt nanuwlijks dit gewaar,
Of toont do^or de opgezette veêren,
Door tienmaal heen en weêr te keeren,
Haar angst, om 't roekloos kind te redden van 't gevaar.
Zij geeft zich tienmaal op, doch aarzelt gansch verlegen;
Want van natuur staat haar het water tegen.
Doch niets verflaauwt den moed van *t vrolijk end.
Het zwemt gerust: waarom? 't Is in zijn element
En vraagt, van blijdschap ingenomen,
Waarom de hen zoo sclirceuwt? wat of haar toch doet schroomen?