Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
I)E HOENDERS. 55
zulke plaatsen, waar zij voedsel voor hen vindt. Dit leert zij
hun zeiven zoeken. Vlug en vol ijver schaVrelt zij met hare
pooten in de losse aarde of in de mest, eu zoo vaak zij een
korreltje vindt, lokt zij de jonge schaar er naar toe, en laat
de vondst aan haar over. Dit onderrigt der moeder is niet
vruchteloos voor de kleintjes; reeds na weinige dagen bootsen
de kiekentjes met hunne kleine pootjes de bewegingen der
moeder heel aardig na, en hunne volle kropjes toonen u, dat
zij reeds menig zaadje, insektje of wormpje hebben opgepikt
Nadert hier of daar een vijand, dan gaat de bezorgde moe-
der dezen zonder schroom te gemoet eu tracht hem door bijten
of door den slag harer vleugels van haar kroost te verwijderen.
Zijn de kiekentjes vermoeid of gevoelen zij koude, dan geven
zij dit door een klagend piepen aan hare moeder te kennen.
Deze verstaat hen, zet zich neer, en binnen weinige oo-
genblikken zijn de kleinen onder hare vleugels verdwenen.
Gij zoudt het naanwelijks kunnen gelooven, dat de gansche
schaar van twaalf en meer onder haar had plaatsgevonden,
wanneer niet hier en daar een kopje met zijne vertrouwelijke
oogjes onder de vleugels uitkeek en niet door zijn stemmetje
te kennen gaf, hoe zeer het diertje met zijne tegenwoordige
verblijfplaats tevreden is. De teederheid der hen, om hare jon-
gen te koesteren en wèl op te voeden, is zoo groot en in 't
oog vallend, dat ze ook den Zaligmaker trof, die er eene der
schoonste vergelijkingen aan ontleende, ter afbeelding zijner
groote zorg voor het Joodsche volk. „Hoe menigmaal," klaagt
hij in eene aandoenlijke taal, „heb ik uwe kinderen willen
bijeen vergaderen, gelijkerwijs eene hen hare kiekens bijeen
vergadert onder de vleugels; maar gij hebt niet gewild."
Doch slechts voor hare eigene kinderen draagt de hen eene
moederlijke zorg. Gewoonlijk is zij eene slechte stiefmoeder.
Want wanneer er eene hen gestorven is, die kleine kinderen