Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
54 DE HOENDERS.
derlijk geleefd heeft, wordt zij verlost; het eene kiekentje na
het andere steekt zijn snaveltje uit de witte schaal en komt
langzamerhand geheel uit den dop te voorschijn. Slechts wei-
nige eijeren blijven geheel onveranderd. Om te weten, of ook
uit deze nog een kiekentje kruipen zal, legt de zorgvuldige
huismoeder ze in een' pot met warm water. Drijft het ei,
dan weet ze terstond, dat er een levend kiekentje in dit
witte scheepje op het water rondzwemt, zinkt het ei, dan is
het bedorven en wordt weggeworpen.
Maar hoe zijn toch die kiekentjes zoo geheel onderscheiden
van de moeder ? Ze schijnen niet met vederen, maar met
dunne haartjes bedekt te zijn. Dat schijnt maar zoo; het
zijn echter werkelijk vecren. Alle vogels hebben een dubbel
kleed , een boven- en een onderkleed. Het eerste bestaat uit
grootere, hardere, bont gekleurde vederen; het laatste uit
korte, zachte, graauwe of witte pluimpjes, die onder het bo-
venkleed verborgen zijn. Het onderkleed, dons genaamd,
waarvan de mensch de ganzen jaarlijks eenige malen berooft,
om zich daarvan een warm bed te maken, w^ordt ieder vo-
geltje terstond bij zijne geboorte gegeven; zoodra het eenige
weken oud is, krijgt het ook zijn vecren overkleed.
De kleine hoenders blijven niet graag lang in het warme
bed, maar willen terstond, al de eerste dagen na hunne ge-
boorte, met hunne moeder uit wandelen gaan. Zoo doen meest
alle vogels, die hun verblijf op het land of in het water hou-
den, weshalve men hen ook nestuitvliegers noemt. Andere
vogels, daarentegen, die een meer kunstig nest op boomen
of rotsen bouwen, brenge hunne jongen weken achtereen voed-
sel aan, en wel zoo lang, totdat deze zei ven vliegen kunnen
en de ouderlijke verzorging niet meer behoeven. Deze vo-
gels worden daarom ook nesthokkers genaamd.
De hen brengt hare jongen spoedig naar buiten en wel op