Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE KIKVORSCH.
4-5
is intusschen grooter geworden; de staart krimpt meer en
meer in, verdwijnt eindelijk geheel, en nu heeft de kleine
kikvorsch zijne eigenlijke gedaante verkregen. Hij heeft daar-
toe ongeveer twee tot drie maanden noodig gehad. Nu ver-
laat hij het water. Sommige kikvorschen brengen liet grootste
gedeelte van hun leven op het land door; eene andere soort
keert dikwijls in het water terug en houdt daarin haar ge-
woon verblijf. De volwassen kikvorsch vergenoegt zich niet
meer met het voedsel, dat hij in zijne kindsheid heeft geno-
ten; maar leeft van insekten, wormen en kleine slakken.
Om zich van zijnen buit meester te maken, gebruikt hij
zijne eigenaardig gevormde, vleezige tong. Deze is niet
achter, maar voor in den mond vastgehecht, en heeft de
uitgetakte spits naar achteren gekeerd, in dier voege, dat hij
ze naar believen buitenwaarts brengen en terugtrekken kan.
Heeft hij nu honger, dan gaat hij op den loer zitten,
terwijl hij, even als een hond, op zijne achterpooten rust.
Vliegt er eene mug of vlieg voorbij, of komt er eene slak
langzaam aankruipen, dan springt hij er met een geweldi-
gen sprong op toe, opent den wijden muil, slaat de kle-
verige tong snel naar buiten en even schielijk weer naar
binnen, en ziedaar, de gewenschte buit is gevangen. Al
deze bewegingen volbrengt hij in weinige oogenblikken;
zelden doet hij een vergeefschen sprong. Is zijne poging
om iets te vangen echter mislukt, dan versmaadt hij het,
even als de leeuw, om zijn' buit te achtervolgen; hij blijft
rustig op zijne plaats, tot een ander dier in zijne nabij-
heid komt, waarop hij dan weder jagt maakt. Bestaat zijne
vangst in eene mug of vlieg, zoo slikt hij ze zonder pligt-
plegingen door; heeft hij echter eene slak gevangen, zoo
verbrijzelt hij hare harde deelen snel met zijne tanden.
Deze jagtlust geeft hem aanspraak op onze erkentelijkheid.