Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
42 DE KIKVORSCHEN.
roeiriemen. Op het laud kan de kikvorsch, juist door de
lengte zijner achterpooten, kruipen noch gaan, maar slechts
springen. Maar welke groote spierkracht moet dit kleine
dier niet in alle deelen zijns ligcliaams hebben, daar het,
slechts weinige duimen groot, door éénen sprong verschei-
dene voeten vooruit komen kan, Hoe voordeelig onderscheidt
zich de kikvorsch, door deze vlugge beweging en door zijne
zuiverder kleur en slanke gestalte, van de hem anders zeer
gelijkende padde, die, met haar plomp gevormd, vuil graauw
ligchaam, zoo traag over den grond kruipt. De kop van
den kikvorsch, welke met den romp door een zeer korten
hals verbonden is, heeft twee vrij groote, heldere met een
gouden rand omzoomde oogen en een grooten muil, waar-
van de bovenkaak met kleine tanden is bezet.
De lengte van een' volwassen kikvorsch bedraagt zonder de
achterpooten 5—10, met deze 15—20 Nederlandsche duimen.
Zeer opmerkelijk zijn de onderscheidene veranderingen,
die de kikvorsch moet ondergaan, voordat hij zijne gewone
gedaante bekomt. In het voorjaar leggen de oude kikvor-
schen eene groote menigte eijeren, soms meer dan duizend,
die, door eene geleiachtige stoffe verbonden, in het waterrond-
drijven. Maar, evenmin als de visschen en amphibiën, broe-
den zij niet zeiven hunne eijeren uit, maar moeten dit aan
de koesterende kracht der zon overlaten. Na acht dagen
kruipen uit de eijeren kleine, vischachtige diertjes, zonder
pooten, met een kort, dik ligchaam en een langen staart.
Deze diertjes kunnen slechts in het water leven en voeden
zich met plantaardige stoffen.
Weldra komen uit het achterste gedeelte van het lig-
chaam twee uitwassen te voorschijn, die langzamerhand de
gedaante van achterpooten aannemen. Na korten tijd ont-
staan ook de voorpooten op dezelfde wijze. Het ligchaam