Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
DE KIKVORSCH. 4-5
korreltje stuifmeef moet er gezocht, hoe tallooze malen moe-
ten de vleugeltjes in beweging gebragt en hoe druk moet
er gearbeid worden , voordat de nieuwe stad kant en klaar
is! Doch wat men gaarne doet, valt niet moeijelijk, en
ongelooflijk veel kan"er tot stand worden gebragt, wanneer
iedere, nog zoo kleine kracht in de natuur tot een nuttig
einde wordt aangewend.
UK RIHTOnSCH.
Wanneer de velden in het voorjaar met frisch groen wor-
den bekleed, dan laten hunne bewoners allerwege met
nieuwen lust en kracht hunne stemmen hooren. In het woud
heft het vogelenheer zijne vrolijke zangwijzen aan, en hun
koning, de nachtegaal, van de winterreis teruggekeerd, ver-
rukt ieder door zijn schoonklinkenden slag; hoog boven ak-
kers en velden kweelt de leeuwrik zijn welluidend gezang,
en in het gras en de boschjes der weiden zingt de kleine
grasmusch een vrolijk liedje. Hoe onaangenaam daarentegen
worden onze ooren aangedaan door het geluid, waarmede
de levendige bewoners der vijvers, moerassen en slooten hunne
voorjaarsvreugde te kennen geven. Onophoudelijk en in een
talrijk koor hoort men hun gekwak, zoo lang zij niet in
hunne rust worden gestoord. Werpt men een* steen in het
water, zoo heerscht er oogenblikkelijk eene diepe stilte;
naauwelijks echter zijn er eenige minuten verloopen, of een
van hen verheft op nieuw zijn eentoonig gezang, en aanstonds
valt het geheele koor met volle kracht weder in. Ik zal
naauwelijks behoeven te zeggen, dat ik met deze vrolijke ge-
zellen de kikvorschen bedoel, die bij ons te lande in zulk
eene overgroote menigte gevonden worden. Deze dieren wor-
den door de meeste menschen niet geacht, ja door velen
zelfs geschuwd en gevreesd; en toch acht ik het van belang.