Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE HONIGBIJ.
35
scheede verborgen is en met eene giftblaas in verbinding
staat, zoodat zij hem vergiftigen kunnen, even als de wilde
volken in Afrika gewoon zijn hunne pijlen te doen. Ten
allen tijde gereed om te steken, staan eenige aan de openin-
gen van den bijenkorf steeds op de wacht, en des daags zal
het der vijandelijke mot niet gelukken, de poort der stad
binnen te sluipen. Maar des nachts, als het zeer duister is,
overromj/elt zij somwijlen de schildwachten, en is zij de enge
straten der stad eens ingedrongen, dan is het bezwaarlijk
haar gevangen te nemen; dewijl zij sneller loopt dan de
bijen, en deze, van w^pge de engte der straten, van hare
vleugels geen gebruik kunnen maken. Dikwijls evenwel
wordt zij betrapt, en dan zijn alle dolken op haar gcrigt,
en moet zij haar snood bestaan met den dood boeten. In
zegepraal wordt nu haar lijk door de straten der stad naar
buiten gesleept, en daar, zonder begrafenis., tot aller waar-
schuwing, den vogelen als aas toegeworpen.
Is het der bijen gelukt een nuiisje te dooden, zoo hebben
zij nog veel meer reden, een* triomftogt te houclen; maar
de gevelde reus is haar te zwaar. De doode blijft daarom
als eene mummie in de bijenstad. Zij hebben namelijk reeds
vroeger dan de oude Egyptennren de kunst van het.balse-
men verstaan en gebruiken daartoe het was. Als in eene
goudgele kist ligt haar vijand daarin opgesloten, zonder tot
ontbinding over te gaan.
Vaker evenwel komen er bijen van eene andere stad, niet
om haar vriendschappelijk te bezoeken, maar om te stelen
en te rooven. Zij trachten namelijk onbemerkt door de poort
in de stad te sluipen, zoo veel honig weg te nemen, als ze
magtig kunnen worden, en met den roof naar de cellen
harer eigene stad terug te keeren. Daar verwondert men
zich, dat de cellen zoo spoedig vol worden, cn, als het ge-
3*