Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
34 DE HONIGBIJ.
haar zoo te huis, dat zij weldra met haar in den helderen
zonneschijn naar het geurige bloemenveld vliegt. Blijft onze
lieve jonge bij nu niet al te lang in de bloemen bij den
zoeten nectar zitten, zoo kan zij, te huis komende, nog zien,
hoe zuur hare minnen het zich laten vallen, om haar kamer-
tje te reinigen en het voor een nieuw zustertje weder in
orde te brengen. De eene draagt het poppehuidje, de an-
dere het madehuidje weg, en mevrouw de koningin legt een
nieuw ei in de schoongemaakte cel; want hoe volkrijker
hare stad gedurende den zomer wordt, des te minder gevaar
is er, dat de winterkoude haar te gronde zal rigten.
Somtijds krijgen de bijen ook bezoek van vreemde gasten,
b. v. van een muisje of van eene mot, of ook wel van
bijen uit eene andere stad. Echter weten zij wel, dat deze
niet komen, om hare kunstmatige cellenstad te bewonderen;
maar dat zij iets kwaads in haar schild voeren. Het muisje
en de vreemde bijen hebben lust aan den honig, en de mot
zou gaarne hare eijeren in. deu bijenkorf leggen. Gelukt haar
dit, dan hebben de arme bijen voor niet zulk een zuren ar-
beid verrigt. Uit de vele eijeren der mot kruipen namelijk
even zoo vele nimmer verzadigde wormpjes. Deze nestelen zich
in de honigraten, maken daarin dikwijls 40 Nederlandsche
duimen lange gangen, en wanneer zij zich aan het was groot
hebben gevreten, dan spinnen zij zich in een zoo digt weef-
sel, dat zij daarin verschanst liggen als in eene vesting,
tegen welke de bijen niets kunnen uitvoeren. Nestelen zich
meer van zulke motten bij haar in, dan blijft der arme
bijen niets anders over, dan hare verwoeste stad te verlaten.
Men kan het der bijen daarom niet kwalijk nemen, dat zij
deze ongenoode gasten niet vriendelijk ontvangen, maar te-
gen deze van haar wapen gebruik maken , dat in een fijnen
hollen angel bestaat, die, met weerhaken voorzien, in eene
m