Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
DE HONIGBIJ. 32
korfje met stuifmeel ia de voorraadkamer uitgepakt, zoo komt
er eene andere bij en laat er eenige droppels op vallen, en
dit gaat zoo voort, tot de cel geheel gevuld is. Cel aan cel
wordt op die wijze van voorraad voorzien. Had de goede
zomer niet zulk een rijken zegen in zijne bloesems uitgestort,
de arme winter zou onze bijen onbarmhartig moeten laten
verhongeren. Ofschoon alle bijen vele maanden achtereen in
den korf als gevangenen opgesloten zijn, zoo eten zij toch niet
alles op, maar laten in het voorjaar ook nog was en honig
voor de menschen over. — Zie, daar staat de bloem des velds.
Zij bekoort u door haren liefelijken geur en de pracht harer
kleuren; maar gij hebt er misschien nooit aan gedacht, dat
zij u ook waskaarsjes en lekkere honigkoeken heeft gele-
verd. En, wat meer is, nadat de bloesems der boomen dui-
zende bijen gevoed hebben, vergeten zij ook niet, hare lekkere
vruchten voor u te laten rijpen.
In de bijenresidentie zijn echter niet slechts voorraadschuren,
maar ook lange rijen kinderkamers. Rij aan rij staan daar de
zeszijdige celletjes, waarin de werkbijen geboren en groot ge-
bragt worden, 'tis, of ze eene geheele stadswijk innemen. Min-
der in getal, maar grooter van bouw zijn de kinderkamers voor
de hommels. Ook woningen voor de prinsessen vindt men
daar, wel weinig in getal, maar toch heel goed kenbaar door
bouworde en grootte. Deze toch zijn niet hoekig, maar lang-
werpig rond en steken boven de andere hutten uit; want
koningskinderen dienen immers ook wel wat hoog en door-
luchtig te wonen. Die paleizen zijn dan ook de aanzienlijkste
gebouwen der stad; want schouwburgen, museums en con-
certzalen hebben de bijen niet. De koningin houdt zich
met haren hofstoet meest in die stadswijk op, waar de
kinderkamers staan. Deftig en statig gaat ze hier van cel
tot cel, kijkt ieder eventjes in vindt, zij eene ledig,