Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE HONIGBIJ.
31
ten, of een ander sluipt er binnen, ora het halfvoltooide werk
voort te zetten. Nu wenden zij zich regts, dan links, nu gaan
ze vooruit, dan keeren ze terug, zonder dat de eene de an-
dere in den weg loopt. Even als in eene groote fabriek arbeidt
de eene de andere in de hand, en alles geschiedt met de meeste
orde, ofschoon het ons dikwijls anders toeschijnt. De groote,
door haar gebouwde cellentafels noemt men raten. Deze zijn
aan alle zijden zoo digt met cellen bezet, dat nergens eene
tusscheuruimte overblijft, en hangen zoo digt bij malkaar, dat
de straat^ die twee er van met elkander vormen, niet breeder
is, dan om twee bijen in één gelid te kunnen laten vooruit-
gaan. Alle cellen zijn waterpas geplaatst, en alle straten loo-
pen op de poort der stad, op het vlieggat, uit. Een gedeelte
van de cellen bestemmen zij tot magazijnen, waarin zij den
wintervoorraad, namelijk honig en bijenbrood, bewaren. Heeft
een'bijenkorf 50,000 cellen, dan zijn ongeveer 30,000 voor
dien voorraad bestemd. — Den honig zuigen zij met de tong
uit de honigzakjes der bloemen. Allerwege rondvliegende vul-
len zij op die wijze het honigmaagje in haar ligchaam met
het zoete vocht der bloemen, dat daar door gisting tot honig
wordt bereid , en keeren vervolgens naar heure woning terug.
Hier aangekomen, zetten zij zich op eene honigcel, steken
daar den kop in en schudden den honig er droppelswijze in
uit Heeft eene bij zich van haren voorraad ontlast, dari komt
er eene andere en doet hetzelfde, en dit gaat zoo lang voort,
tot de cel vol is. Dan wordt deze nog met een deksel van
was voorzien, opdat er geen stof invallen en de honig den
geheelen winter door frisch blijven kan. Buiten den vloeibaren
honig leggen zij ook nog bijenbrood in afzonderlijke cellen op.
Dit is van eene vastere zelfstandigheid en bestaat uit
stuifmeel, met vocht uit een honigkliertje onder hare tong
aangemengd en tot bijenbrood gekneed. Heeft de eene haar