Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
29 DE HONIGBIJ.
zeiver bonten rand neder en beginnen zich daar met de kleine
borstels, die in fijne haartjes aan hare voeten zitten, het
stuifmeel van lijf, rug en hoofd te schuijeren. Eer men er
aan denkt, hebben zij het bioemstof met hare voorpooten tot
een kogelrje bijeen geveegd, dit tot eene kleine korrel te
zamen gekneed en het vlug als een goochelaar tusschen de
lange achterpooten geschoven. Aan den binnenkant van deze
bevindt zich een groefje, rondom met haren bezet en het
korfje genaamd. Daarin pakken zij het weeke korreltje, dat
er nu eens rood, dan geel, dan weder wit uitziet, en vlie-
gen er mede, zwaar beladen, zoodat de-achterpooten naar
beneden hangen, regelregt naar den bijenkorf, om daar goud-
gele zalen met zes wanden te bouwen, welke men cellen
noemt en die van was zijn.— Het stuifmeel zou echter nim-
mer tot was worden, zoo de bijen geene wasfabriek hadden.
Deze zit in haar ligchaam en is eene soort van maag. Zij
slikken namelijk het verzamelde stuifmeel in, dat dan ten
deele in hare maag tot een vloeibaar was wordt bereid, 't welk
vervolgens in droppels aan de zijden van het ligchaam, bij
de zes ringen van het achterlijf, weer te voorschijn komt,
zoodat het schijnt, alsof de vlijtige bijen ook zweetdroppels
bij haren arbeid moeten vergieten. Deze droppels verstijven
in de lucht tot kleine blaadjes en kunnen gemakkelijk tot
kleine kogels zamengerold worden. Daartoe bedienen zij zich
van den kogelvorm, die voor aan haren kop zit. Deze be-
staat uit twee hoornachtige, met zeer kleine haartjes bezette
kaken, die voor aan den mond te zamen komen, schuins af-
gesneden en uitgehold zijn , zoodat zij van binnen eene holle
ruimte vormen, even als twee handen, wanneer men met
deze een* sneeuwbal gaat maken. Hebben zij nu een ko-
geltje gevormd en dat aan de regte plaats vastgehecht,
zoo geeft de hoornachtige, zeer beweegbare tong, even als