Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
28 DE HONIGBIJ.
niet in boeken geschreven, en ook niet aan de hoeken der
straten geplakt; maar in plaats daarvan heeft ieder ze in
het hoofd en doet er naar, en dit is nog beter. De drie
voornaamste eischen van hare wetten zijn: orde, zindelijkheid
en vlijt. Menig volk kan in dit opzigt wel wat van haar lee-
ren en aannemen, zoo b. v. de Boschjesmannen in zuidelijk
Afrika, die, als de wilde tijgers van hun land, in holen en
spelonken leven, zonder in elkanders lot deel te nemen, en
die nog niets van orde, zindelijkheid en gemeenschappelijke
vlijt weten willen, schoon ook de bijen sedert het begin der
wereld hun getoond hebben, welke groote dingen daardoor
tot stand kunnen komen. AVanneer men deze kleine dieren
zulke met rede begaafde wezens ziet beschamen, dan mag
men wel vragen, of deze ook den naam van mensch verdienen.
Het bijenvolkje is, zoo als gij gemerkt zult hebben, in
onderscheidene klassen verdeeld. De talrijkste is die der hand-
werkers, werkbijen genaamd. Zij zijn de kleinsten, de ligt-
sten en de vlugsten van het gansche bijenvolk. Naauwelijks
zijn zij geboren , of pooten en vleugels zijn bij haar in beweging.
Eer men het vermoedt, zijn zij aan den arbeid, gonzen met en
even als de ouden om de bloesems der boomen en doen allen
arbeid terstond zoo flink mede, alsof zij lang op haar am-
bacht gereisd en in vreemde landen eene rijke ondervinding
opgedaan hadden. Haar gereedschap brengen zij mede ter we-
reld. Het bestaat in een' metselaarstrofFel, een* kegelvorm en
uit onderscheidene borsteltjes. Hiermede kunnen zij eene ge-
heele bijenstad opbouwen. Vrolijk gonzend doen zij nu
dagelijks uitvlugtjes naar de bloemen. Haar geheele lig-
chaam, de oogen niet uitgezonderd, is met kleine haartjes
bezet, in welke het stuifmeel hangen blijft, wanneer zij lustig
in de bloesems omtuimelen. Als molenaars bestoven, komen
zij weer uit de bloesems voor den dag, zetten zich op der-