Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE HONIGBIJ.
27
van eenen mannelijken hofstoet, die haar overal vergezelt en
zich, evenmin als zij, om de bezigheden der werkbijen be-
kommert. Eenige honderde van zulke hovelingen , die men
hommels noemt, leven aan het hof dezer vorstin. Zij schijnen
uit een ander geslacht gesproten, dan de groote hoop der
werkbijen. Deze houden, wel is waar, niets van pluimstrij-
ken of hofmakeu, maar hangen evenwel met groote liefde
aan hare gebiedster, zoodat eenige haar tot eene lijfwacht
verstrekken, ja haar zelfs van lijd tot lijd honig tot voedsel
aanbieden. Diepe treurigheid maakt zich van haar meester,
wanneer de geliefde koningin gestorven is. Dan staken zij
haren arbeid, dan vliegen ze niet meer naar buiten, om
honig te verzamelen, dan klinkt het anders zoo vrolijk ge-
gons, dat ze vroeger op hare honigreizen lieten hooren,
dof en somber als een begrafenislied. Sommigen loopen door
plle straten en verkondigen het groote ongeluk, dat de stad
getroffen heeft, aan alle nog vlijtig werkende bijen. Naau-
welijks hebben deze door middel der teekenspraak van de
voelhorens, die hare ligchamen sidderend aanraken, de treu-
rige tijding vernomen, of ook haar is alle lust tot den arbeid
vergaan. Ja, is er geene troonopvolgster te vinden, dan
verstrooit zich de geheele schaar en het rijk gaat te gronde.
Maar de droefheid verandert in vreugde, wanneer er eene jonge
koningin wordt gevonden, of wanneer de oude, die somtijds
slechts in schijn dood is, weder tot zich zelve komt. Dan drin-
gen de vlijtige werkbijen zich bij gansche scharen rondom de
koningin, streelen haar met de voelhorens en brengen haar,
wat zij hebben en geven kunnen, namelijk honig en bijenbrood.
Het moet toch wel waar zijn, dat een koningrijk niet zon-
der wetten bestaan kan, wijl zelfs het bijenkoningrijk zijne
wetten heeft; en, waarlijk, voor de wetten, waaronder de
werkbijen staan , moet men alle achting hebben. Wel zijn zo