Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
25 DE BERKENBOOM.
door, voedsel schenken. Des winters bieden de berken hem
hunne knoppen, in de lente hunne bloesems, in den herfst
hunne zaden tot spijze aan. Stoutmoediger dan de den, klimt
onze berk hooger dan deze de bergen op , en laat onder zijn
witten bast het wormpje weiden, dat hem hier zelfs nog opzoekt.
Dag en nacht arbeiden de saprijke buisjes in zijn binnenste,
en bereiden uit het eenvoudige water der wolken al de kost-
bare gaven, waarmede hij menschen en dieren overlaadt, zonder
zelf armer te worden. Daarbij is hij onder alle boomen met
het schraalste voedsel tevreden en neemt iederen grond voor lief.
Ja de lange, arme winter der poollanden kan hem zelfs
geen schrik inboezemen. Getrouwer dan de eik, is hij den
mensch ook hierheen gevolgd, al heeft hij daarbij ook zijnen
groei moeten inschieten en zich met de gestalte van eenen
dwerg vergenoegen. Wanneer de eik en de ooftboom reeds
lang de zoetheden der lente in hunne landen genoten hebben,
ligt hij in die ijzige oorden nog in den winterslaap. Geen vi-
ooltje en geen sneeuwklokje kondigen hem hier, zoo als bij
ons, het ontwaken der lente aan; maar wanneer de ijsbergen
in de nevelachtige poolzee losdooijen en naar het zuiden drij-
ven, en den koenen zeeman bij hunne nadering het bloed in
de aderen doen stollen, dan komt er eene zachte beweging
in den dwergachtigen stam van den berkenboom; want hem
hebben de drijvende ijsbergen, in plaats van de viooltjes,
verkondigd, dat de magt des winters gebroken is. Dan kruipt
ook de nog noordelijker wonende poolmensch uit zijne onder-
aardsche woning, neemt de uit berkenhout gesneden pijl en
boog en gaat weder op de jagt. Als een heiligdom bewaart
hij van jaar tot jaar de dunne stammen van eenige ber-
ken, die zijn overgrootvader eens uit de zee opvischte, toen
zij uit een zuidelijker land naar het noorden dreven, waar
geen boom meer voort wil. Thans, nu de lange nacht