Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
13 DE ZAADKORREL.
zoo lang, tot het ongestoord zijne neiging, om naar bene-
den te gaan, volgen kan. Het is echter zeer goed, dat het
dit zoo van zelf doet. Denk maar eens, — wanneer zou
de landman met zaaijen gedaan hebben, als hij ieder zaad-
korreltje behoorlijk in de aarde te regt leggen moest 1
Maar hoe kan het kiempje zijne schaal doorbreken, daar
het toch geen' snavel als de vogel heeft? Daartoe krijgt het
hulp van boven. — Wanneer het namelijk in den schoot der
donkere aarde ligt, zonder te weten, wat met hem gebeurt,
stijgen uit ver verwijderde zeeën duizende en duizende water-
blaasjes naar boven. Deze verheffen zich hoog in de lucht,
pakken zich daar te zamen tot digte wolken, en worden dan
door den wind verre weg over landen en bergen heen gezon-
den, tot zij ook bij ons in de aarde sluimerend zaadkorreltje
aankomen. Hier wordt de wolken stilstand geboden, en deze
besproeijen nu de aarde met duizende regendroppels. Die
regendroppels zoeken ons zaadkorreltje op, en dit zuigt ze
met zulk een genoegen in, alsof het hier reeds lang op ge-
wacht had. Weldra zwellen zijne zaadlobben op, even als
eene vochtige spons, doen de schaal openspringen en openen
het kiempje dus eene deur, waardoor het naar buiten kan
sluipen. Wanneer gij nu na een zoelen voorjaarsregen over
de kale velden gaat, zoo vermoedt gij zeker niet, dat onder
uwe voeten, als in eene geheime werkplaats, druk gearbeid
wordt. Duizende deuren worden er dan geopend, doch zoo
stil en zonder gedruisch, dat gij er niets van merken kunt.
Hebt gij uwe boon regt naauwkeurig bekeken, dan zult
gij zeker ook bespeurd hebben, dat op haar ëéne zijde
eene kleine diepte is, die men het merk^noemt. Toen de
boon nog in haar groen, lang hulsel lag, was hier ter
plaatse een klein draadje, streng geheeten. Deze streng
verbond niet slechts de boon met de binnenzijde van het