Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
13 HET IJZER.
Door hunne lichten werd het zoo helder, dat ik nu ook
kon rondzien, waar ik eigenlijk was. Ik lag nog altijd onder
de aarde, maar in een ruim, hoog rotshol, zoo groot, dat
er wel een huis in had kunnen staan. Vele van mijns ge-
lijken lagen mede op den bodem van het rotsgewelf. Het
duurde niet lang, of de zwarte mannen plaatsten zich langs
den rotsmuur, het spitse ijzer in de eene, den hamer in de
andere hand. Het kloppen begon op nieuw, doordien zij
in de maat met den hamer op de ijzeren staven sloegen en
daardoor gaten in den rotsmuur boorden. Toen deze diep
genoeg waren, vulden zij ze met buskruid, verdwenen plot-
seling en verscholen zich in de naburige rotsgangen. Eenige
oogenblikken was het doodstil; maar weldra ontplofte het
kruid, en onmiddellijk daarop volgde de donder. Op nieuw
sprongen nu eene menigte-gevangenen uit hunnen kerker te
voorschijn.
Zoo ging het dag aan dag. Op zekeren dag laadde een
man ons op eene kar en kruide ons door een onderaardschen
gang, die zeer smal en zoo laag was, dat de man zich wat
bukken moest. Deze gang liep uit op een anderen, die
hooi2:er en breeder was dan de eerste. Hier stroomde een
helder en zuiver water, en in het water lag eene boot, waar-
in wij geworpen werden. De man zette zich met zijne lamp
op ons, en wij voeren langen tijd in een donkeren gang
voort. Gij hebt onlangs hier aan het naaitafeltje uwen speel-
genootjes ook van een watertoertje verteld, maar mijne vaart
zou u zeker niet bevallen zijn; want daar in de onderwereld
bloeit geen vergeet-mij-niet-je aan het water, daar zingt
geen leeuwrik, daar zwemt geen vischje vrolijk op en neer.
Dof ruischte het water onder de boot, en wanneer deze tegen
de rotswanden stiet, dreunde het als in een graf. Ik weet niet
meer, hoe lang wij voeren. Eindelijk hield de boot stil.
1*